herhaling stam, infinitief, onderwerp en persoonsvorm

HERHALING WERKWOORDEN
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsLager onderwijs

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

HERHALING WERKWOORDEN

Slide 1 - Slide

WERKWOORDEN

Slide 2 - Mind map

DE INFINITIEF VAN EEN WERKWOORD
Geef de infinitief van de onderstaande werkwoorden.

loopt  --> ik zal...

voetbal --> ik zal...

schrijf --> ik zal...


Slide 3 - Slide

Geef de infinitief van de onderstaande werkwoorden

slaapt - verstoppen - leest

Slide 4 - Open question

DE STAM VAN EEN WERKWOORD
Geef de stam van de onderstaande werkwoorden.

studeren --> ik...

liggen --> ik...

wandelen --> ik...

Slide 5 - Slide

Geef de stam van de onderstaande werkwoorden

belt - werken - kook

Slide 6 - Open question

DE PERSOONSVORM
Stel de ja/neen vraag. Let op --> de pv is altijd een WW

Vandaag vertrekken we naar Spanje.

Wanneer gaan we op vakantie?

Slide 7 - Slide

Zet de zin in de juiste volgorde zodat het een ja-nee vraag wordt.
Jan
loopt
rondjes
op 
school

Slide 8 - Drag question

Geef de persoonsvormen van de onderstaande zin.

Op zaterdag is er een voetbalwedstrijd.

Slide 9 - Open question

Wat is de pv in de onderstaande zin?

De meester heeft hard gelopen.
A
meester
B
gelopen
C
heeft
D
hard

Slide 10 - Quiz

HET ONDERWERP 
--> Wie/ wat vraag, gevolgd door persoonsvorm 

Mama heeft gebakken --> wie heeft gebakken? 
Morgen vertrekt de bus --> wat vertrekt morgen? 
Ik help het je onthouden --> wie helpt onthouden? 


Slide 11 - Slide

Wat is het onderwerp?

Morgen gaan we op uitstap met de juf.
A
de juf
B
we
C
uitstap
D
morgen

Slide 12 - Quiz

Wat is het onderwerp?

De juffen en meesters geven graag les op de Wavo.

Slide 13 - Open question

Wat is het onderwerp?

Vandaag maakten we voor mama een lekkere taart.

Slide 14 - Open question