Les 4

Welkom
Les 4 havo economie
Jong en oud
Hoofdstuk 5
1 / 22
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 22 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Welkom
Les 4 havo economie
Jong en oud
Hoofdstuk 5

Slide 1 - Slide

Planning 
Lesdoelen bespreken
Terugblik/herhaling
uitleg
zelfstandig werken
lesdoelen controleren

Slide 2 - Slide

Lesdoelen 
Aan het einde van de les kan je:
  • Afschrijvingskosten berekenen 
  • Via de afzet de omzet en winst berekenen
  • Uitleggen wat toegevoegde waarde (productiewaarde) is en dit berekenen 
  • Uitleggen wat vreemd vermogen is 
  • Een resultaten rekening maken
  • Aangeven wat kapitaal goederen zijn

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Inter = Tussen

Tempo(reel) = Tijd. 

Intertemporele ruil houdt in dat je ruilt over tijd. 


toelichting

Slide 6 - Slide

TOTALE BEDRIJFSKOSTEN = VARIABELE KOSTEN + VASTE KOSTEN
Een voorbeeld:
  • de variabele kosten zijn € 5,- per taart
  • de vaste kosten zijn € 2000,- per maand
  • de afzet  is 150 taarten 

  • Wat zijn de  totale kosten  per maand?
  • € 5,- X 150 + € 2000,- = € 2.750,-

Slide 7 - Slide

Vaste kosten
"Kosten waarvan het totaalbedrag niet afhankelijk is van de omvang van de productie of de verkoop" 

Slide 8 - Slide

Variabele kosten
"Kosten waarvan het totaalbedrag wél afhankelijk is van de omvang van de productie of de verkoop" 

Slide 9 - Slide

Afschrijving
  • Waardevermindering van kapitaalgoederen (de machines, computers, bedrijfsauto's worden ouder en slijten door het gebruik)

Slide 10 - Slide

Hoe bereken je de afschrijvingskosten?

  1. aankoopwaarde -
  2. restwaarde =
  3. totale afschrijving /
  4. aantal jaar =
  5. afschrijvingskosten per jaar


Slide 11 - Slide

 Afschrijvingskosten berekenen
  • dus de formule voor de berekening van de jaarlijkse afschrijvingskosten :
  • (aanschafwaarde - restwaarde) / gebruiksjaren 
  • (200.000 -  20.000) / 6 = € 30.000,- per jaar
  • maandelijkse afschrijvingskosten :
  • € 30.000,- / 12 = € 2.500,- 

Slide 12 - Slide

 Hoe te berekenen ?
een voorbeeld 
  • aanschafprijs van een machine € 200.000,- 
  • waarde na 6 jaar bij verkoop nog € 20.000,-  
hoe groot is de totale waardevermindering ? 
  •  (200.000-20.000) € 180.000,-  
hoe groot is de waardevermindering per jaar?
  • € 180.000,- / 6 = € 30.000,- 

Slide 13 - Slide

1. De toegevoegde waarde
Via de productiewaarde (van bedrijven en overheid) is de toegevoegde waarde
Nationaal product (NP): Totale waarde van de productie van een land in een jaar.

Het NP kan gemeten worden door de toegevoegde waarde (TW) te berekenen. 

Slide 14 - Slide

Toegevoegde waarde van de overheid

Slide 15 - Slide

Toegevoegde waarde van bedrijven

Slide 16 - Slide

Begrote en gerealiseerde winst
Winst 
  • Begroting: winst die wordt verwacht => "verwachte", "begrote" of "voorcalculatorische" (van tevoren berekend) winst.
  • Realisatie: winst die werkelijk behaald is => "werkelijke", "gerealiseerde" of nacalculatorische" (achteraf berekend) winst.

Slide 17 - Slide

Een welvaartsvaste uitkering houdt in dat het bedrag van de uitkering met hetzelfde percentage verhoogd wordt als de gemiddelde lonen in een land, zodat de welvaartsverhouding constant blijft.
Een waardevaste uitkering houdt in dat de koopkracht van de uitkering constant gehouden wordt door de uitkering jaarlijks aan te passen aan de hoogte van de inflatie.

Slide 18 - Slide

Nationaal product = Nationaalinkomen
Het Nationaal Inkomen is de som van al het verdiende inkomen door de bevolking van een bepaald land in een jaar.

  • Inkomen (Y) wordt verdiend uit productie
  • Bij productie wordt productiefactoren ingezet
  • De beloning van productiefactoren vormen samen het verdiende inkomen

Slide 19 - Slide

Netto toegevoegde waarde
Bruto  toegevoegde-  waarde
Afschrijvingen

Slide 20 - Slide

Bruto Toegevoegde waarde
f





Formule:
Bruto toegevoegde waarde= 
Verkoopwaarde (Omzet)  - Inkoopwaarde  (grondstoffen)

Slide 21 - Slide

De productiewaarde v/d overheid
 De overheid verkoopt haar producten niet zoals een bedrijf. 
Een overheid kent dus geen ‘omzet’ waarvan we allerlei inkopen kunnen afhalen.

De netto toegevoegde waarde van de overheid = som van de ambtenarensalarissen.

Slide 22 - Slide