Thuis in je huis

Thema  thuis in je huis
1 / 50
next
Slide 1: Slide
VerzorgingMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1,2

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes, text slides and 15 videos.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Thema  thuis in je huis

Slide 1 - Slide

les 1 Wat gaan wij vandaag doen? 
  • Starten met werken in het boekje 
  • Herhaling van de theorie van de vorige les
  • We gaan een aantal filmpjes bekijken 

Slide 2 - Slide

Huishouden 
  • Toen en nu
  • Welke apparaten hebben jullie
  • Huishoudelijke activiteiten  

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Slide 5 - Video

Slide 6 - Video

Welke huishoudelijke
taken doe jij thuis?

Slide 7 - Mind map

Wat kun je leren van huishoudelijke taken en klusjes? 
  • Je leert omgaan met verantwoordelijkheden 
  • Je probleemoplossend vermogen wordt gestimuleerd
  • Je zelfvertrouwen wordt gestimuleerd 
  • Je vermogen om samen te werken verbetert 
  • Je zelfstandigheid wordt vergroot 

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Waarom is het belangrijk om jongeren te betrekken bij huishoudelijke taken en klusjes?

Slide 10 - Mind map

Slide 11 - Video

Slide 12 - Video

Slide 13 - Video

Niels maakt een werkstuk over het huishouden van vroeger en nu. Bij het voorbereiden schrijft hij drie verschillen op.

Welk verschil dat Niels noteert, is juist?
A
Het huishouden kost nu meer elektriciteit.
B
Het huishouden kost nu meer lichamelijke inspanning.
C
Het huishouden kost nu meer tijd.

Slide 14 - Quiz

Wat is een huishouden
A
een groep mensen die hun eigen huis schoon houdt
B
iemand die je huis schoonmaakt
C
een groep mensen die samen woont

Slide 15 - Quiz

Een verschil met vroeger is dat
timer
0:30
A
nu alle mannen het huishouden doen
B
kinderen lang bij hun ouders wonen
C
gezinnen kleiner zijn
D
meer vrouwen een baan hebben

Slide 16 - Quiz

Waar of niet waar?

7. Huishoudelijke uitgaven zijn voor alle mensen in Nederland gelijk.
A
waar
B
niet waar

Slide 17 - Quiz

In een traditioneel gezin werkt de vader en zorgt de moeder voor het huishouden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quiz

Bij het huishouden let je op je lichaamshouding.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 19 - Quiz

les 2 de was 
  • wat moet je weten over de was 
  • waarom was sorteren 
  • was en hygiëne  

Slide 20 - Slide

We hebben het de vorige week gehad over de verschillende materialen waar kleding van gemaakt wordt
De ll kunnen de verschillen tussen de materialen benoemen en kunnen de etiketten in de kleding lezen
AHV een paar videofilmpjes en gesprekken kijken we naar de verschillen  en wat er met overgebleven kleding gedaan wordt
Het eerste deel van het boekje wordt uitgedeeld
AHV vragen kunnen we kijken of de leerlingen de verschillen kunnen benoemen

Slide 21 - Slide

Confectie kleding
  • Gemaakt door modeontwerpers
  • Lage loon landen

Slide 22 - Slide

KLEDING WASSEN
Je moet regelmatig je kleding wassen.
- kleding wordt vuil
- vuile kleding stinkt

Slide 23 - Slide

ETIKETTEN
van welke stof is het gemaakt
hoe moet je de kleding wassen (onderhouden)
of beide op 1 etiket

Slide 24 - Slide

Uitleg wassymbolen: 
Wassymbolen geven jou belangrijke aanwijzingen voor het juiste onderhoud van de kleding. 

Slide 25 - Slide

Behandelingsetiket
Hoe was je het kledingstuk
Samenstellingsetiket
Waar is de stof van gemaakt
Soorten etiketten in kleding

Slide 26 - Slide

Functies van kleding
  • bescherming en veiligheid
  • steun of ondersteuning 
  • hygiëne
  • herkenning
  • uiterlijk
  • kledinguiting

Slide 27 - Slide

Productie van kleding

Slide 28 - Slide

Grondstoffen - dus waar het kledingstuk of het stuk textiel van is gemaakt.
Dierlijke oorsprong:
Wol (schaap of lama of lam of geit)
Zijde (zijderups)
Plantaardige oorsprong:
Katoen (katoenplant)
Linnen (hennep, vlas)
Synthetische oorsprong (door een chemisch proces):
Nylon, polyester, lycra enz.


De grondstoffen waar een kledingstuk van gemaakt is wordt vermeld in het samenstellingsetiket.
Dit is niet altijd 1 soort grondstof maar soms of vaak een mengeling van 2 of 3 grondstoffen.
 










Slide 29 - Slide

Slide 30 - Video

Slide 31 - Video

Slide 32 - Video

Slide 33 - Video

Slide 34 - Video

Hoe doet men de was in een groot bedrijf?
De meeste was gaat naar een wasserij.
Daar wordt het gewassen en gedroogd en weer verzameld.
Duizende delen wasgoed worden per dag verwerkt
Kijk naar de volgende video

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Video

Waarom is het belangrijk om was te kunnen sorteren?

Slide 37 - Mind map

De was sorteren


Niet al het wasgoed kun je samen wassen.
Je moet het sorteren.
Waar sorteer je het wasgoed op?

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Video

Welk symbool betekent
'niet in de droger'?
A
B
C
D

Slide 40 - Quiz

Welk symbool betekent
'lauw strijken'?
A
B
C
D

Slide 41 - Quiz

Wat betekent het driehoekje
met een kruis er door heen
op je waslabel? 
A
Niet met de hand wassen
B
Niet bleken
C
Niet in de droger
D
Niet strijken

Slide 42 - Quiz

Wat betekent een strijkbout
met drie puntjes op
je waslabel
A
Niet strijken
B
Koud strijken
C
Strijkbout moet 3 minuten opwarmen
D
Heet strijken

Slide 43 - Quiz

Wat betekent dit waslabel?
A
Wel wassen
B
Niet drogen
C
Wel drogen
D
Niet strijken

Slide 44 - Quiz

Wat betekent dit waslabel?

A
Wel strijken
B
Strijken op 100 graden
C
Strijken op 150 graden
D
Niet strijken

Slide 45 - Quiz

Het driehoekje in het waslabel zegt iets over:
A
Drogen
B
Wassen
C
Bleken
D
Strijken

Slide 46 - Quiz

De cirkel in het waslabel zegt iets over?
A
wassen
B
strijken
C
bleken
D
reinigen

Slide 47 - Quiz

Slide 48 - Link

Slide 49 - Video

Afsluiting
  • Hoe is het gegaan? 
  • Waar ben je tevreden over? 
  • Waar minder over?  

Slide 50 - Slide