5.1 + 5.2

Paragraaf 5.1 + 5.2
Wat heb je nodig?
Waar haal je het geld vandaan?
1 / 18
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 18 slides, with text slides.

Items in this lesson

Paragraaf 5.1 + 5.2
Wat heb je nodig?
Waar haal je het geld vandaan?

Slide 1 - Slide

Lesdoel deze les
  • Wat zijn bezittingen en schulden van een bedrijf?
  • Wat is een balans?
  • Welke soorten bezittingen zijn er in een bedrijf?
  • Wat zijn passiva en waarvoor dienen deze?
  • Voorbeelden noemen van eigen vermogen
  • Voorbeelden noemen van vreemd vermogen
  • Uitleggen wat solvabiliteit inhoudt en de solvabiliteit berekenen

Slide 2 - Slide

Planning deze les
  • Nakijken paragraaf 5.1
  • Herhalen 'de balans'
  • Nakijken paragraaf 5.2 opdr. 12 + 13
  • Paragraaf 5.2 maken opdrachten 15 t/m 21
  • Ben je klaar dan start met paragraaf 5.3

Slide 3 - Slide

De Balans
Belangrijkste kenmerken van een balans:
- Er zit een linkerzijde (debet) en een rechterzijde (credit) aan de balans
- Het is een momentopname (voorraadgrootheid)
- De balans is altijd in evenwicht.
- het geeft inzicht in de bezittingen (debet) en schulden (credit) van een bedrijf

Slide 4 - Slide

Bezittingen Balans

Gebouw
Inventaris
Debiteuren (klanten)
Voorraad
Kas
Bank

Schulden balans

Eigen vermogen
Hypotheek
Lening bank
Crediteuren (leverancier)


Slide 5 - Slide

Debet en Credit
De linkerzijde heet debetzijde  hier staan alle bezittingen

De rechterzijde heet creditzijde  hier staat hoe je aan het geld bent gekomen, de schulden

Slide 6 - Slide

Activa op de balans
  • Alles waar we geld in investeren (investeringsplan) => worden bezittingen van het bedrijf
  • Bezittingen => noemen we activa op de balans
  • Vaste volgorde: Vaste activa, vlottende activa en liquide activa

Slide 7 - Slide

Activa
We kunnen onderscheid maken tussen
vaste en vlottende en liquide activa:

Vaste activa: gaan langer dan een jaar mee in je bedrijf
Vlottende activa: Veranderen / verdwijnen binnen een jaar
liquide activa : betaalmiddelen waar een bedrijf mee kan betalen

Slide 8 - Slide

Debet (bezittingen)
Debiteur : een klant die nog moet betalen maar wel het product al heeft (afterpay)
Vlottende activa
voorraad goederen
debiteuren
Liquide middelen
betaalrekening
kasgeld (kassa)
Vaste activa
gebouw
bestelauto
inventaris

Slide 9 - Slide

Passiva van het bedrijf
De rechterzijde van de balans heet creditzijde ,
hier staat hoe je aan het geld bent gekomen, de schulden.

De schulden worden de passiva genoemd

Slide 10 - Slide

Creditzijde=Passiva=Schulden
Creditzijde bestaat uit Eigen vermogen en Vreemd vermogen

Eigen vermogen = het geld dat de ondernemer in zijn/haar eigen bedrijf stopt

Vreemd vermogen =  het geld dat de ondernemer ergens anders leent (bank, familie, gemeente enz.)

Slide 11 - Slide

Creditzijde=Passiva=Schulden
De creditzijde laat zien hoe de bezittingen (debetzijde) zijn betaald/gefinancierd

Slide 12 - Slide

Eigen Vermogen
  • eigen geld van eigenaren
  • eigen vermogen zit permanent in het bedrijf
  • aandeel een een stuk(je) van het eigen vermogen (aandelenvermogen)
  • beloning van een aandeel is dividend (ander woord voor winst)

Slide 13 - Slide

Vreemd Vermogen
Als het geld van de eigenaar niet voldoende is om het bedrijf te starten dan moet er geld bij anderen (vreemden) geleend worden

er is lang en kort vreemd vermogen

Slide 14 - Slide

Lang vreemd vermogen
Langlopend vreemd vermogen: Lening met een looptijd van langer dan 1 jaar.   

Bijvoorbeeld een hypotheek  voor het bedrijfspand of een onderhandse lening ( = lening van familie of vrienden).

Slide 15 - Slide

Kort vreemd vermogen
Kortlopend vreemd vermogen: Leningen met een looptijd korter dan 1 jaar.

Bijvoorbeeld:  crediteuren, belastingschuld of tekort op de bankrekening (rekening courant).

Crediteur = een leverancier waar je aan moet betalen

Slide 16 - Slide

Gezond bedrijf
Hoe meer je leent, hoe meer je moet terugbetalen. 
Solvabiliteit = de verhouding tussen Eigen vermogen en Vreemd Vermogen

Solvabiliteit =      Eigen vermogen      x 100 %
                                  Totaal vermogen 
                                                                                Gezond = meer dan 50%

Slide 17 - Slide

Wat nu?
Maken paragraaf 5.2 opdr. 15 t/m 21

Klaar? starten met paragraaf 5.3

Slide 18 - Slide