This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Lesson duration is: 70 min
Items in this lesson
Welkom!
Slide 1 - Slide
Startklaar
Op je plek zitten
Telefoon in de kluis
Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui
Slide 2 - Slide
Planning donderdag 5 maart
Basisregels Nederlands
Hoofdletters en leestekens
werkblad
werken in Code+
Kahoot Ziek zijn
Slide 3 - Slide
lesdoelen
Ik weet wanneer ik hoofdletters en leestekens moet gebruiken.
Ik kan zinnen maken met de voegwoorden: en, maar, of, want.
Ik kan zinnen maken met het voegwoord omdat.
Slide 4 - Slide
Basisregels Nederlands
Slide 5 - Slide
letter, woord, zin
Letter(s): a, b, c, .....
woord (en): aap, kast, school
zin: Het boek zit in mijn tas.
Slide 6 - Slide
Leestekens:punt, komma, vraagteken
Hoofdletters
Slide 7 - Slide
Lees de tekst
vandaag is het donderdag morgen ga ik met mijn moeder naar de markt mijn vader moet werken maar mijn zus kan wel mee zij heet mirjam mijn school staat in den haag ik ga met de bus naar school maar soms neem ik de tram
Is dit makkelijk? Waarom niet?
Slide 8 - Slide
Lees de tekst
Vandaag is het donderdag. Morgen ga ik met mijn moeder naar de markt. Mijn vader moet werken, maar mijn zus kan wel mee.
Zij heet Mirjam. Mijn school staat in Den Haag. Ik ga met de bus naar school, maar soms neem ik de tram.
Slide 9 - Slide
Hoofdletters
eerste woord van de zin, eerste letter
naam/namen
land/landen
stad/steden
taal/talen
Slide 10 - Slide
Welke woorden moeten met een hoofdletter? ik woon in nederland
A
ik en nederland
B
woon en nederland
C
ik en woon
D
nederland
Slide 11 - Quiz
Welke woorden moeten met een hoofdletter? mijn zus heet ida en ze woont in leiden
A
mijn, ida, ze, leiden
B
mijn en ida
C
mijn, ida, leiden
D
ida en leiden
Slide 12 - Quiz
Leestekens
Punt
.
aan het einde van een zin
Komma
,
als je meerdere dingen achter elkaar zegt
Vraag-teken
?
aan het einde van een vraag
Slide 13 - Slide
Schrijf een komma:
Voor een voegwoord (want, omdat, maar, enz.) Voorbeeld:
Ik kom niet op school, want ik ben ziek.
Mijn broer sport veel, omdat hij van sport houdt.
Ik vind de zomer leuk, maar ik hou niet van warm weer.
Slide 14 - Slide
werkblad zinnen schrijven: twee niveaus
Leerlingen die niet de schrijftoets gaan maken: werken in Code+
Slide 15 - Slide
lesdoelen behaald?
Ik weet wanneer ik hoofdletters en leestekens moet gebruiken.
Ik kan zinnen maken met de voegwoorden: en, maar, of, want.