Wiederholung grammatica

1 / 38
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Was machen wir heute?
Uitleg volgende toets
Schreiben
Wiederholung Grammatik
Wiederholung Wortschatz 

Slide 2 - Slide

Volgende toets 27 november 
Kapitel 1 leren



Blz 50 Lernliste N-D
Blz 51 Lernliste D-N
Grammatik blz 52 leren de werkwoorden haben en sein in de verledentijd
Het voltooide deelwoord
Sprachmittel en Schreibmittel blz 53
Kapitel 2 leren
Blz 90 N-D
Blz 91 D-N
Let op de bonus van 0,3% voor de invullijsten van slim stampen!














Slide 3 - Slide

Hausaufgaben
Wiederholung 
Aufgabe 1-4, Seite 254/255
Denk aan jullie slimstampen lijsten!

Slide 4 - Slide

Regels voltooid deelwoord 
Wie weet ze nog?

Slide 5 - Slide

BE- en VER-: stam+t                         (voorbeeld: versorgen - versorgt)

Slide 6 - Slide

Wat is het voltooid deelwoord van kochen?

Slide 7 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van arbeiten?

Slide 8 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van
telefonieren?

Slide 9 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van
besuchen?

Slide 10 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van
gratulieren?

Slide 11 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van machen?

Slide 12 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van
tanzen?

Slide 13 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van
kosten?

Slide 14 - Open question

Werkwoord haben in de verledentijd
Wie weet deze nog? 

Slide 15 - Slide

Het werkwoord haben in de VT
<span style="font-weight: bold">ich</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">du</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">er/sie/es</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">wir</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">ihr</span>
<span style="font-weight: bold; color: rgb(255, 255, 255)">sie/Sie</span>
hatte
hattest
hatte
hatten
hattet
hatten

Slide 16 - Drag question

Haben in de vt
.......die Kinder ein eigenes Zelt?
A
haben
B
hattet
C
hatten
D
hatte

Slide 17 - Quiz

Haben in de vt
Noa ...... nachmittags oft Fußballtraining?
A
haben
B
hattet
C
hatten
D
hatte

Slide 18 - Quiz

Haben in de vt
.......du auch nicht eine Schwester?
A
hattest
B
hattet
C
hatten
D
hatte

Slide 19 - Quiz

Sein in de verledentijd
Wie weet deze nog?

Slide 20 - Slide

Enkelvoud
Meervoud
Sleep de juiste vervoeging naar het persoonlijk voornaamwoord.
ich
du
er
sie
es
wir
ihr
sie
Sie
warst
war
waren
war
waren
war
wart
waren
war

Slide 21 - Drag question

Im Oktober .......(sein in de vt) es kalt.
A
ist
B
waren
C
war
D
wart

Slide 22 - Quiz

(sein in vt)
......ihr schon mail in Spanien?
A
waren
B
warst
C
war
D
wart

Slide 23 - Quiz

(sein in vt)
......du bei diesem Wetter wandern?
A
waren
B
warst
C
war
D
wart

Slide 24 - Quiz

Aantekening

Slide 25 - Slide

Normale Duitse zinsvolgorde
In een gewone hoofdzin staat het werkwoord op de 2e plaats.
Voorbeelden:
Ich gehe heute ins Kino.
Er kauft ein neues Auto.
“2e plaats” betekent: het werkwoord is het 2e zinsdeel, niet per se het 2e woord.


Slide 26 - Slide

Weil betekent omdat en begint een bijzin.
➡️ Belangrijk: in een bijzin staat het werkwoord aan het einde.
Voorbeeld:
Ich gehe früh ins Bett, weil ich morgen arbeiten muss.

Je kunt de volgorde ook omdraaien:
Weil ich morgen arbeiten muss, gehe ich früh ins Bett.
(Bijzin eerst → hoofdzin daarna, hoofdzin begint met werkwoord omdat het op 2e plaats moet staan.)

Slide 27 - Slide

Denn betekent ook want, maar het is een nevenschikkend voegwoord.
➡️ Belangrijk: het verandert de woordvolgorde niet.
➡️ Het werkwoord blijft op de 2e plaats, net als in een gewone hoofdzin.
Voorbeeld:
Ich gehe früh ins Bett, denn ich muss morgen arbeiten.
(Ik ga vroeg naar bed, want ik moet morgen werken.)

Geen werkwoord aan het einde → muss blijft op de 2e plaats in de 2e hoofdzin.

Slide 28 - Slide

Wir fahren morgen früher los, ___ wir keinen Stau wollen.
A
denn
B
weil

Slide 29 - Quiz

Anna kann heute nicht kommen, ___ sie hat viel zu tun.
A
denn
B
weil

Slide 30 - Quiz

Max macht das Fenster zu, ___ es ist kalt.
A
denn
B
weil

Slide 31 - Quiz

Ich gehe joggen, ___ ich fitter werden will.
A
denn
B
weil

Slide 32 - Quiz

Aufgabe 39, Seite 80 Diktat
Ergänze die fehlenden Umlaute

Slide 33 - Slide

Hausaufgaben
Aufgabe 38,40 und 41, Seite 81
Wiederholung machen 254-257 (even overleggen)
Slim stanpen 

Slide 34 - Slide

Hausaufgaben Kontrolieren
Aufgabe 13 und 14, Seite 64/66

Slide 35 - Slide

Aufgaben machen
Aufgabe 39, Seite 60 klassikaal
Aufgabe 38, Aufgabe 40, Seite 81
Woordspel
Slim stampen

Slide 36 - Slide

Ihr schafft das:)

Slide 37 - Slide

Wiederholung maken
Kijk eerst of je de werkwoorden haben en sein in de verledentijd nog weet. 
Daarna maak je de wiederholungsopdrachten. 
Wat hebben jullie al gemaakt?

Slide 38 - Slide