Terug van vakantie

1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Pak je  telefoon

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Hoe gaat het met je?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

This item has no instructions

Slide 4 - Link

This item has no instructions

Wat hoort bij vakantie?

Slide 5 - Mind map

This item has no instructions

Hoe was je vakantie

Lesdoel: Na de les kun je vertellen ..........

  • Waar  je geweest bent;
  • Hoe het weer was;
  • Hoe lang je  bent weg geweest;
  • Eenvoudige vragen stellen over vakantie.




Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Hoe was jouw vakantie?

  • Ben je weggeweest of thuisgebleven?
  • Ik ben geweest in __________ / Ik ben thuis gebleven.

  • Wat heb je gedaan?
  • Ik heb __________ .

  • Was het leuk
  • Het leukste was __________.

  • Hoe was het weer?
  •  Het weer was __________.



Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Rollenspel:  twee mogelijkheden.

Situatie 1
 : Je bent weg geweest.

Situatie 2
 : Je bent thuis gebleven.

Mogelijke antwoorden:

  • Ik ben thuis gebleven.
  • Ik heb veel gefietst.
  • Ik heb familie bezocht.
  • Ik heb uitgeslapen.
  • Ik heb in de tuin gezeten.
  • Ik heb gewerkt.
  • Ik ben een paar dagen naar het strand gegaan.
  • Ik ben naar de stad geweest.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

10 minuten

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

1. Bekijk de foto:





  • Wat zie je op de foto?
  • Ga je wel eens op vakantie?
  • Wat vind je mooi weer?
  • Wat vind je een lekkere temperatuur?

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

2. Luister naar het gesprek Hoera, vakantie! (1).
Je hoort Dick en Janneke.

3. Luister nog een keer naar het gesprek en wijs aan.
Hoe was het weer in Spanje?

vakantie

Slide 11 - Slide

This item has no instructions


4. Luister nog een keer naar het gesprek 
    en geef antwoord.



  • Wat heeft Janneke gedaan in Spanje?
  • Hoe lang is Janneke in Spanje geweest?
vakantie

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

5. Bekijk het weerbericht. 


  • In welke stad is het mooi weer volgens jou?




  • Waar wil je naartoe op vakantie?

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

6. Luister naar het gesprek Hoera, vakantie! (2).


Je hoort Dylan en Antal.


    vakantie 2

    Slide 14 - Slide

    This item has no instructions

    7. Luister nog een keer naar het gesprek en zeg:

    Waar gaat Antal naartoe?                          Dubai of Singapore

    Hoe lang blijft Antal weg?                         drie weken of drie maanden

    Hoe warm is het in Singapore?                13 graden of 30 graden
    vakantie 2

    Slide 15 - Slide

    This item has no instructions

    8. Luister goed.
    Ik lees een gesprek voor.
    Hoor je een cijfer?
    Tik in je telefoon X als je een cijfer hoort.

    Slide 16 - Mind map

    This item has no instructions


    9. Luister! Tik op de tafel.
    Ik lees een aantal woorden voor. 
    Waar ligt het accent in het woord?
    Tik op de tafel. Luister naar het voorbeeld.

    Voorbeeld:
    Mohammed – huisarts – goedemorgen

    Slide 17 - Slide

    Dick: Wat ben je bruin! Ben je op vakantie geweest?
    Janneke: Ja, we zijn net terug.
    Dick: Waar ben je geweest?
    Janneke: Eh … in het zuiden van Spanje, vlakbij Madrid.
    Dick: Het was zeker wel mooi weer?
    Janneke: Ja, het was elke dag zonnig en warm.
    Het waaide wel, maar dat was juist lekker.
    Dick: Hoe hoog was de temperatuur?
    Janneke: Ah, gemiddeld vijfendertig graden.
    Dick: Poeh, dat is wel warm. Heeft het niet geregend?
    Janneke: We hebben twee keer een bui gehad.
    Dick: Wat hebben jullie gedaan?
    Janneke: Oh, veel gewandeld. Dat deden we meestal ’s morgens.
    En ’s middags gingen we zwemmen.
    Dick: Hoe lang zijn jullie weggeweest?
    Janneke: Achttien dagen. Ja, het was een heerlijke vakantie.•

    temperatuur
    bewolking
    weerbericht
    paraplu
    regenjas
    fantastisch
    vakantie
    10. Taalriedel

    • Ben je op vakantie geweest?
    • Ben je op vakantie geweest?
    • Ja, we zijn net terug.
    • Ja, we zijn net terug.
    • Waar ben je geweest?
    • Waar ben je geweest?
    • In het zuiden van Spanje.
    • In het zuiden van Spanje.
    • Was het mooi weer?
    • Was het mooi weer?
    • Ja, zonnig en warm.
    • Ja, zonnig en warm.
    • Hoe lang zijn jullie weg geweest?
    • Hoe lang zijn jullie weg geweest?
    • Achttien dagen.
    • Achttien dagen.
    • Heerlijk!
    • Heerlijk!

    Slide 18 - Slide

    This item has no instructions

    11. Luister en zeg de zinnen na.

    • 1. Ga je mee naar het feest?
    • 2. Ik vlieg morgen naar Singapore.
    • 3. Ik ga naar mijn broer.
    • 4. Hoe lang blijf je weg?
    • 5. Ik kan bij hem logeren.
    • 6. Dit is de eerste keer.
    • 7. Mijn vrouw moet werken.
    • 8. Het regent daar.

    Slide 19 - Slide

    Lees het onderstaande bericht voor. De deelnemer zegt welk woord ontbreekt.
    En dan nu het weer.
    Het is vandaag op veel plaatsen bewolkt.
    In het zuiden laat de zon zich af en toe zien.
    Morgen is er veel bewolking met in het noorden wat regen.
    In het zuiden is het droog.
    Het wordt dan elf graden.
    12. Zeg het gesprek na. (1)
    • Dick: Waar ben je geweest?.
    • Janneke: In het zuiden van Spanje.
    • Dick: Was het mooi weer?
    • Janneke: Ja, het was zonnig en warm.
    • Dick: Heeft het niet geregend?
    • Janneke: We hebben twee keer een bui gehad.

    13. Zeg het gesprek na. (2)
    • Antal: Ik vlieg morgen naar Singapore.
    • Dylan: Ga je op vakantie?
    • Antal: Ik ga naar mijn broer.
    • Dylan: Hoe lang blijf je weg?
    • Antal: Drie weken.
    • Dylan: Ga je alleen?
    • Antal: Ja, mijn vrouw moet werken.

    Slide 20 - Slide

    This item has no instructions

    14. Maak het gesprek compleet.
    Je bent in de supermarkt. Je ziet je neef. Hij is net op vakantie geweest.
    Je vraagt naar zijn vakantie. Voer het gesprek.

    • Hassan: Hé …, hoe gaat het?
    • Ik: ………………………
    • Hassan: Prima. Ik ben net terug van vakantie.
    • Ik: ………………………
    • Hassan: In Engeland.
    • Ik: ………………………
    • Hassan: Twee weken.
    • Ik: ………………………
    • Hassan: Ja, we hebben maar twee dagen regen gehad.
    • Ik: ………………………
    • Hassan: Lekker, het was gemiddeld 21 graden.

    Slide 21 - Slide

    This item has no instructions

     15. Luister. Wat hoor je? Sta op.











    Slide 22 - Slide

    **Een dag met veel weer**

    Het is ochtend. De zon schijnt en het is warm.
    Een meisje gaat naar buiten. Ze draagt een zonnebril. en een bikini.

    Dan komt er een regenboog. Het weer verandert.
    Het begint te regenen. Ze pakt een paraplu.

    Het is koud. Ze doet een jas aan en trekt laarzen aan.
    Ook doet ze een warme trui aan.

    Dan komt er een grote storm. Er is veel wind en onweer.
    De regen stopt later.

    De zon komt weer. Het wordt warm.
    Het meisje doet haar jas uit. Ze is blij
    1. **De zon**
       De zon schijnt. De lucht is blauw. Het is warm en mooi weer.

    2. **De regenboog**
       Ik zie een mooie regenboog. De regenboog heeft veel kleuren. Er zijn ook wolken.

    3. **De handschoenen**
       Ik zie twee handschoenen. De handschoenen zijn zwart. Ze hebben veel kleuren.

    4. **De bikini**
       Ik zie een bikini. De bikini is roze en wit. Je draagt een bikini als het warm is.

    5. **De paraplu**
       Ik zie een paraplu. De paraplu heeft verschillende kleuren. Je gebruikt een paraplu als het regent.

    6. **De slippers**
       Ik zie twee slippers. De slippers zijn groen en oranje. Je draagt slippers als het warm is.

    7. **De storm**
       Ik zie een donkere wolk. Er is onweer. Er komt een grote bliksem uit de wolk.

    8. **De zonnebril**
       Ik zie een zonnebril. De zonnebril is groen en zwart. Je draagt een zonnebril als de zon schijnt.

    9. **De regenjas**
       Ik zie een gele regenjas. De jas heeft een capuchon. Je draagt een regenjas als het regent.

    10. **De regenlaarzen**
        Ik zie twee groene regenlaarzen. Je draagt deze laarzen als het regent. Je voeten blijven droog.

    11. **De trui**
        Ik zie een groene trui. De trui heeft lange mouwen. Je draagt een trui als het koud is.


    16. Vraag en geef antwoord.

    Loop rond. Vertel wat voor weer het wordt.

    Slide 23 - Slide

    This item has no instructions

    17. Vraag en geef antwoord.

    Loop rond. Vraag waar de ander vandaan komt. 

    Vraag ook naar het weer in zijn / haar eigen land. 

    De ander reageert.

    Slide 24 - Slide

    This item has no instructions

     
    18. Wat zie je op de plaatjes?

    Slide 25 - Slide

    This item has no instructions

     19. Kijk nog een keer naar de foto. 
    Geef antwoord op de vragen. Bedenk je eigen verhaal.



    • Wie zijn deze mensen?
    • Waar zijn ze?
    • Kennen ze elkaar?
    • Wat voor weer is het?
    • Wat gaan ze straks doen?

    Slide 26 - Slide

    This item has no instructions

    Ik heb iets van deze les geleerd.
    0100

    Slide 27 - Poll

    This item has no instructions