**Een dag met veel weer**
Het is ochtend. De zon schijnt en het is warm.
Een meisje gaat naar buiten. Ze draagt een zonnebril. en een bikini.
Dan komt er een regenboog. Het weer verandert.
Het begint te regenen. Ze pakt een paraplu.
Het is koud. Ze doet een jas aan en trekt laarzen aan.
Ook doet ze een warme trui aan.
Dan komt er een grote storm. Er is veel wind en onweer.
De regen stopt later.
De zon komt weer. Het wordt warm.
Het meisje doet haar jas uit. Ze is blij
1. **De zon**
De zon schijnt. De lucht is blauw. Het is warm en mooi weer.
2. **De regenboog**
Ik zie een mooie regenboog. De regenboog heeft veel kleuren. Er zijn ook wolken.
3. **De handschoenen**
Ik zie twee handschoenen. De handschoenen zijn zwart. Ze hebben veel kleuren.
4. **De bikini**
Ik zie een bikini. De bikini is roze en wit. Je draagt een bikini als het warm is.
5. **De paraplu**
Ik zie een paraplu. De paraplu heeft verschillende kleuren. Je gebruikt een paraplu als het regent.
6. **De slippers**
Ik zie twee slippers. De slippers zijn groen en oranje. Je draagt slippers als het warm is.
7. **De storm**
Ik zie een donkere wolk. Er is onweer. Er komt een grote bliksem uit de wolk.
8. **De zonnebril**
Ik zie een zonnebril. De zonnebril is groen en zwart. Je draagt een zonnebril als de zon schijnt.
9. **De regenjas**
Ik zie een gele regenjas. De jas heeft een capuchon. Je draagt een regenjas als het regent.
10. **De regenlaarzen**
Ik zie twee groene regenlaarzen. Je draagt deze laarzen als het regent. Je voeten blijven droog.
11. **De trui**
Ik zie een groene trui. De trui heeft lange mouwen. Je draagt een trui als het koud is.