Ser, estar en familie MH1

Ser, estar en familie MH1

1 / 29
next
Slide 1: Slide
New lesson editorSpaansMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Ser, estar en familie MH1

This item has no instructions

Leerdoel

Ik kan ser en estar gebruiken, eenvoudige vraagwoorden herkennen en woorden over mijn familie in het Spaans gebruiken.

This item has no instructions

Welke Spaanse woorden of vragen ken je al over familie of 'zijn'?

Gebruik dit als activering van voorkennis. Verwachte input: ser, estar, madre, padre, hermano, hermana, quién, dónde, cómo.

Twee werkwoorden voor 'zijn'

In het Spaans gebruik je niet één werkwoord voor zijn, maar twee:


  • ser

  • estar


Ze betekenen allebei vaak zijn, maar je gebruikt ze in andere situaties.

Open vanuit het Nederlands: leerlingen verwachten vaak één vorm van 'zijn'. Benadruk dat de keuze afhangt van betekenis, niet van toeval.

Wanneer gebruik je ser?

Gebruik ser voor dingen die iemand of iets kenmerken.


  • wie iemand is

  • wat iemand is

  • afkomst of nationaliteit

  • eigenschappen die als vast worden gezien

  • tijd en datum

Je hoeft hier nog niet alle uitzonderingen te geven. Houd het bij vaste of beschrijvende kenmerken die leerlingen meteen kunnen herkennen.

Voorbeelden met ser

  • Soy Ana.

  • Es mi hermano.

  • Somos de España.

  • Es simpático.

  • Hoy es lunes.

Lees de voorbeelden hardop en wijs steeds aan welk soort informatie wordt gegeven: identiteit, familieband, afkomst, eigenschap, datum/dag.

Wanneer gebruik je estar?

Gebruik estar voor dingen die tijdelijk zijn of kunnen veranderen.


  • hoe iemand zich voelt

  • waar iemand of iets is

  • een toestand op dit moment

Vermijd een te absolute regel als 'estar is altijd tijdelijk'. Voor deze les is 'gevoel, plaats, toestand' een bruikbare instap.

Voorbeelden met estar

  • Estoy cansado.

  • Está en casa.

  • Estamos aquí.

  • Está contenta.

  • El libro está en la mesa.

Laat leerlingen het verschil horen tussen ser en estar zonder al een volledige vervoegingstabel uit te werken.

Ser of estar?

Het verschil zit in de betekenis:


  • ser = identiteit, kenmerk, afkomst

  • estar = plaats, gevoel, toestand


Vergelijk:

  • Es mi padre.

  • Está en casa.

Dit is de kernslide van het eerste deel. Gebruik het contrast 'wie is iemand?' versus 'waar is iemand / hoe voelt iemand zich?'

Welke zin gebruikt het juiste werkwoord voor plaats?

A

Es en casa.

B

Está en casa.

C

Soy en casa.

D

Somos en casa.

Toetst het kernverschil: voor plaats gebruik je estar. De andere opties zijn vormen van ser of grammaticaal onlogisch in deze context.

Vul ser of estar goed in

Ana es mi hermana. Ella está en casa hoy. Mi padre es simpático, en yo estoy cansado.

es
está
es
estoy
somos
está
soy
son

Laat leerlingen betekenis koppelen aan vorm: identiteit/kenmerk = ser, plaats/gevoel = estar.

Vraagwoorden in het Spaans

This item has no instructions

Veelgebruikte vraagwoorden

  • ¿Quién? = wie?

  • ¿Qué? = wat?

  • ¿Cómo? = hoe?

  • ¿Dónde? = waar?

  • ¿Cuándo? = wanneer?

  • ¿Cuántos/as? = hoeveel?

Noem dat Spaanse vragen vaak beginnen met een omgekeerd vraagteken, maar houd de focus op betekenis en herkenning van de woorden.

Vraagwoord en betekenis

Elk vraagwoord vraagt om een ander soort antwoord.


  • ¿Quién? vraagt naar een persoon.

  • ¿Dónde? vraagt naar een plaats.

  • ¿Cómo? vraagt naar een eigenschap of gevoel.

  • ¿Qué? vraagt naar een ding of informatie.

Koppel dit terug aan ser en estar: '¿Cómo estás?' past bij gevoel, '¿Quién es?' past bij identiteit.

Voorbeeldvragen

  • ¿Quién es? — Het vraagt naar een persoon.

  • ¿Cómo estás? — Het vraagt naar hoe iemand zich voelt.

  • ¿Dónde está mi hermana? — Het vraagt naar een plaats.

  • ¿Qué es? — Het vraagt naar wat iets is.

Benadruk dat vraagwoorden meteen helpen kiezen welk soort antwoord logisch is.

Vraagwoorden combineren

Vraagwoorden werken samen met ser, estar en woordenschat.


  • ¿Quién es tu madre?

  • ¿Dónde está tu abuelo?

  • ¿Cómo está tu hermana?

  • ¿Qué es 'brother' en español?

Deze slide vormt de brug naar de familiewoordenschat. Laat zien dat grammatica en woordenschat samen gebruikt worden.

Welk vraagwoord past bij een plaats?

A

¿Cómo?

B

¿Quién?

C

¿Dónde?

D

¿Qué?

Controleert of leerlingen vraagwoord en soort antwoord koppelen.

Vul de vraagwoorden aan

¿Quién? es tu madre? ¿Dónde? está tu abuelo? ¿Cómo? está tu hermana? ¿Qué? es 'brother' en español?

¿Quién?
¿Dónde?
¿Cómo?
¿Qué?
¿Cuándo?
¿Cuántos/as?
¿Cuál?

Alle vraagwoorden komen rechtstreeks uit de voorbeelden van deze subtopic.

Familie in het Spaans

Enkele basiswoorden:


  • la madre = de moeder

  • el padre = de vader

  • la hermana = de zus

  • el hermano = de broer

  • los padres = de ouders

Houd het compact en bruikbaar. Dit zijn kernwoorden die leerlingen meteen in zinnen kunnen herkennen of gebruiken.

Meer familiewoorden

  • la abuela = de oma

  • el abuelo = de opa

  • la tía = de tante

  • el tío = de oom

  • el primo / la prima = de neef / nicht

Je kunt kort wijzen op lidwoorden: el en la helpen om het zelfstandig naamwoord mee te leren.

Familie voorstellen

Met familiewoorden kun je eenvoudige zinnen maken:


  • Es mi madre.

  • Es mi hermano.

  • Son mis abuelos.

  • Mi tía está aquí.

Hier komen ser en estar terug: 'Es mi madre' voor identiteit, 'está aquí' voor plaats.

Familie en vragen samen

Met de nieuwe woorden kun je informatie over familie begrijpen.


  • ¿Quién es? — Es mi abuelo.

  • ¿Dónde está tu padre? — Está en casa.

  • ¿Cómo está tu hermana? — Está bien.

Dit is de integratieslide van de les: vraagwoord + ser/estar + familiewoordenschat.

Wat betekent 'los padres'?

A

de broers

B

de ouders

C

de ooms

D

de grootouders

Plausibele afleiders komen uit dezelfde woordenschatcategorie familie.

Vul de familiewoorden en werkwoorden aan

Es mi abuelo. Mi tía está aquí. ¿Dónde? está tu padre? Mi hermana está bien.

Es
está
¿Dónde?
hermana
ser
madre
¿Quién?
hermano

Integreert ser/estar, vraagwoorden en familiewoordenschat in één oefening.

Maak één korte zin met ser en familie.

Bespreek of leerlingen het verschil tussen identiteit, plaats en gevoel kunnen toepassen met familievoorbeelden.

Wat heb je vandaag het best geleerd?

Reflectie zonder fout antwoord. Mogelijke elementen: ser/estar, vraagwoorden, familiewoorden, voorbeeldzin.

Wat vond je nog lastig in deze les?

Laat leerlingen benoemen wat lastig bleef, zodat de docent kan terugkomen op ser/estar of vraagwoorden.

Woordenlijst

ser - Spaans werkwoord voor identiteit, afkomst en kenmerken

estar - Spaans werkwoord voor plaats, gevoel en toestand

¿quién? - vraagwoord dat betekent: wie?

¿qué? - vraagwoord dat betekent: wat?

¿cómo? - vraagwoord dat betekent: hoe?

¿dónde? - vraagwoord dat betekent: waar?

familia - familie

This item has no instructions

Woordenlijst

madre - moeder

padre - vader

hermana - zus

hermano - broer

abuela - oma

abuelo - opa

primo / prima - neef / nicht

This item has no instructions