Latijn SPQR dativus + mandatum 15 en 16

Latijn SPQR dativus + mandatum 15 en 16
1 / 33
next
Slide 1: Slide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Latijn SPQR dativus + mandatum 15 en 16

Slide 1 - Slide

Naamvallen
Naamval: vorm van een zelfstandig naamwoord, geeft aan welke functie het woord heeft in een zin
Functie: onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp etc.

Slide 2 - Slide

meewerkend voorwerp
Sommige werkwoorden hebben alleen een onderwerp: 
ik loop, hij rent, wij lachen, jullie staan, zij danst

Andere werkwoorden hebben ook een lijdend voorwerp nodig:
ik pak een boek, hij gooit een bal, zij zien de huizen

Slide 3 - Slide

meewerkend voorwerp
Sommige werkwoorden hebben ook nog een meewerkend voorwerp nodig:
ik geef mijn vriend een boek, hij laat zijn vrouw het huis zien,
zij overhandigen hem de hoofdprijs

Bij deze werkwoorden kan de handeling niet gedaan worden, als er niet nog iemand bij betrokken is.

Slide 4 - Slide

meewerkend voorwerp
Meewerkend voorwerp herkennen in het Nederlands:
Je kunt er 'aan' of 'voor' bij zetten of weglaten als dat er al staat:
Ik geef (aan) mijn vriend een boek.
Hij laat (aan) zijn vrouw het huis zien.

Slide 5 - Slide

meewerkend voorwerp
Het Latijn gebruikt de naamval dativus voor het meewerkend voorwerp:
Puella amicae donum dat.  
Het meisje geeft (aan) haar vriendin een geschenk.


Slide 6 - Slide

dativus
Het Latijn gebruikt de naamval dativus ook als er voor iemand iets gedaan wordt of als er tegen iemand iets gezegd wordt:
Puella regi cenam parat.
Het meisje maakt voor de koning een maaltijd klaar.
Pater puero dicit: 'veni!'
De vader zegt tegen de jongen: 'kom!'


Slide 7 - Slide

mandatum 15
Noteer de naamval(len) en de verbuigingsgroep.

Slide 8 - Slide

aquam
A
nom ev
B
acc ev
C
dat ev
D
nom mv

Slide 9 - Quiz

aquam is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 10 - Quiz

locus
A
nom ev
B
acc ev
C
dat ev
D
nom mv

Slide 11 - Quiz

locus is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 12 - Quiz

puellae
A
nom ev
B
acc ev
C
dat ev
D
nom mv

Slide 13 - Quiz

puellae is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 14 - Quiz

amico
A
nom ev
B
acc ev
C
dat ev
D
nom mv

Slide 15 - Quiz

amico is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 16 - Quiz

mandatis
A
nom mv
B
acc mv
C
dat mv
D
nom ev

Slide 17 - Quiz

mandatis is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 18 - Quiz

regi
A
nom mv
B
acc mv
C
dat mv
D
dat ev

Slide 19 - Quiz

regi is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 20 - Quiz

arborem
A
nom ev
B
acc ev
C
dat mv
D
dat ev

Slide 21 - Quiz

arborem is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 22 - Quiz

feminis
A
nom mv
B
acc ev
C
dat mv
D
dat ev

Slide 23 - Quiz

feminis is verbuigingsgroep...
A
1
B
2
C
3

Slide 24 - Quiz

Mandatum 16
Vertaal de zinnen.

Slide 25 - Slide

2. Rex servo mandatum dat.
A
De koning geeft de slaven een opdacht.
B
De koning geeft de slaaf een opdracht.
C
De slaaf krijgt een opdracht van de koning.
D
De koning geeft de slaven opdrachten.

Slide 26 - Quiz

3. Gregem patri puer custodit.
A
De vader bewaakt met de jongen de kudde.
B
De vader bewaakt voor de jongen de kudde.
C
De jongen bewaakt voor de vader de kudde.
D
De kudde bewaakt de jongen voor de vader.

Slide 27 - Quiz

4. Feminae servus aquam portat.
A
De slaaf draagt water voor de vrouw.
B
De vrouw draagt water voor de slaaf.
C
De vrouwen dragen water voor de slaaf.
D
De vrouwen en de slaaf dragen water.

Slide 28 - Quiz

5. Matri filius locum praebet.
A
De moeder biedt de zoon een plaats aan.
B
De moeders bieden de zoon een plaats aan.
C
Aan de moeders biedt de zoon een plaats aan.
D
De zoon biedt de moeder een plaats aan.

Slide 29 - Quiz

6. Rosam amica puero tradit.
A
De jongen overhandigt de vriendin een roos.
B
De vriendin overhandigt de jongen een roos.
C
De vriendin overhandigt de jongens een roos.
D
De jongen overhandigt de vriendinnen rozen.

Slide 30 - Quiz

7. Pater filio nihil dicit.
A
De zoon zegt niets tegen de vader.
B
De vader van de zoon zegt niets.
C
De vader zegt niets tegen de zoon.
D
De vader en de zoon zeggen niets.

Slide 31 - Quiz

persoonlijk voornaamwoord
- verwijst naar een mens, dier of ding
- 1e persoon: ik, wij
- 2e persoon: jij, u, jullie
- 3e persoon: hij, zij (ev), het, zij (mv)
- persoonlijke voornaamwoorden hebben naamvallen om aan te geven of ze onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp zijn.

Slide 32 - Slide

persoonlijk voornaamwoord
- schema op blz 72
- de nominativus van de persoonlijke voornaamwoorden kom je nog niet tegen in zinnen, omdat daar werkwoordsvormen bij horen, die je nog niet gehad hebt.

Slide 33 - Slide