1.
aanbrengen – iets ergens plaatsen of bevestigen; ook: iemand aangeven bij de politie. Voorbeeldzin: De schilder gaat morgen een nieuwe laag verf aanbrengen op de muur.
2. aandachtig – geconcentreerd, oplettend. Voorbeeldzin: De leerlingen luisterden aandachtig naar de uitleg van de docent.
3. aangezien – omdat, doordat. Voorbeeldzin: We bleven binnen, aangezien het de hele dag regende.
4. aanhoudend – steeds opnieuw, zonder te stoppen. Voorbeeldzin: De hond blafte aanhoudend, waardoor de buren niet konden slapen.
5. aankoop – iets dat je koopt; het kopen van iets. Voorbeeldzin: Zijn nieuwste aankoop is een tweedehands fiets.