Chapitre 3 - opstart PO

B1D le 5 novembre 2018
1 / 16
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

B1D le 5 novembre 2018

Slide 1 - Slide

Leerdoel:
- aan het einde van de les herken ik het werkwoord avoir
- aan het einde van de les herken ik het bezittelijk voornaamwoord

Slide 2 - Slide

Planning P2
1. PW CH 2 - partie 1 + partie 2
2. PO stamboom (hoort bij CH3)

PW CH 2 - partie 2 (in de toetsweek)
incl. bron C + bron F van CH3

Slide 3 - Slide

Welk onregelmatig werkwoord heb ik al geleerd?
A
avoir
B
être
C
regarder
D
aimer

Slide 4 - Quiz

Waarom is het werkwoord être onregelmatig?

Slide 5 - Open question

CH3 bron C
Het werkwoord avoir = hebben
J'ai                     = ik heb
Tu as                 = jij hebt
il/elle/on a      = hij/zij/men heeft
nous avons   = wij hebben
vous avez      = jullie hebben/ u heeft 
ils/elles ont    = zij hebben

Slide 6 - Slide

Wat is de betekenis van het werkwoord avoir?
A
kijken
B
hebben
C
zijn
D
luisteren

Slide 7 - Quiz

Marie (avoir) un frère qui s'appelle Hugo
A
est
B
as
C
es
D
a

Slide 8 - Quiz

Christine et Jean (avoir) beaucoup de devoirs
A
sont
B
est
C
ont
D
a

Slide 9 - Quiz

Wat zijn bezittelijke voornaamwoorden?
A
haar
B
zij
C
mijn
D
jullie

Slide 10 - Quiz

CH3 bron H: het bezittelijk voornaamwoord (1)
Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is. 




De vorm hangt af van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.  

BV: Max is mijn broer - Max est mon frère (m.ev)

Slide 11 - Slide

CH 3 bron H: het bezittelijk voornaamwoord (2)
Let op: als het znw vrouwelijk is en begint met een klinker/ stomme h, gebruik dan de mannelijk vorm (mon,ton,son)

BV: Mijn vriendin heet Marie - Mon amie s'appelle Marie 
                                                               DUS NIET: ma amie s'appelle Marie 

Slide 12 - Slide

Wat zijn de goede vertalingen van het bezittelijk voornaamwoord 'jouw'?
A
mon/ma/mes
B
ton/ta/tes
C
son/sa/ses

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Video

Les devoirs: le 6 novembre
Faire: ex. 14 (blz.93 wb)
Apprendre: rijtje van avoir (dia 6 óf bron C CH3)

Slide 15 - Slide

Les devoirs: le 9 novembre
Faire: ex. 30 + 31 (blz. 106 wb)
Apprendre: werkwoord avoir (Quizlet, dia 9 óf bron C CH3) + schema bezittelijk voornaamwoord (dia 11 óf bron H CH3)

Slide 16 - Slide