Verwijswoorden
Persoonlijk voornaamwoord
Verwijswoorden
Persoonlijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord gebruik je om iets wat in
de vorige zin staat te benoemen.
Hiermee hoef je niet in elke zin hetzelfde woord te herhalen.
Bijv: De schoenen die ik in de winkel zag zijn erg mooi en ze lopen heel erg lekker. Ze waren maar 50 euro
In plaats van: De schoenen die ik de winkel zag zijn erg mooi en de schoenen lopen heel erg lekker. De schoenen waren maar 50 euro.
! we gebruiken deze regels alleen voor dingen !!
Je gebruikt het persoonlijk voornaamwoord om te verwijzen naar mensen of dingen.
Voor mensen:
Man = hij / hem / (zijn)
Vrouw = ze / zij / (haar)
Meervoud = ze / hun / hen
Voor dingen:
De-woord = hij
Het-woord = het
Meervoud = ze / hun / hen
Uitzondering!
Dat = situatie
Daar = Plaats / plek
Mannelijk = hij
gebruik je voor mannelijke personen.
De man van mijn zus is erg stoer, maar hij is ook lief.
De man, de jongen, de kerel (etc.) = hij
Vrouwelijk = ze / zij
gebruik je voor vrouwelijke personen.
Mijn zus heeft gestudeerd, ze is erg slim.
Vrouw, meisje, zus, tante (etc.)
Meervoud = ze
gebruik je voor groepen.
De voetballers hadden erg honger. Na de wedstrijd aten ze 40 frikandellen
De jongens, de meisjes, de teams etc.
Hij
gebruik je voor de woorden.
De hond van mijn zus is al erg oud, maar hij is erg lief.
De hond = hij
Het
gebruik je voor het woorden.
Het huis is erg groot, maar het moet nog verbouwd worden.
Het huis = het
Ze
gebruik je voor het meervoud (+).
De bananen zijn niet meer lekker. Ze zijn al helemaal bruin.
De bananen = ze
Uitzondering!
Dat = situatie
Daar = Plaats / plek
Het boek was erg leuk. Dat had ik niet verwacht.
Op school zijn lekkere banken. Daar kun je op chillen.
Nu gaan we oefenen:
Pak je wisbordje en een stift.
Schrijf het antwoord op.
Hou het bordje omhoog.
De fiets heeft een lekke band. _____ is stuk.
hij/ze/het
hij
De stoelen zitten lekker, maar ik vind ____ niet mooi.
hij/ze/het
ze
Het bord is zo ver weg, ik kan _____ niet lezen.
hij/ze/het
het
Het kopje is leeg. Ruim jij ___ even op?
het
De tv staat uit. ___ heeft al de hele dag aangestaan.
hij
De koekjes waren zo lekker dat ___ nog geen uur op tafel hebben gestaan.
ze
Text