Link+ B1-B2 thema 1.3

Link+ B1-B2 thema 1.3

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Hoger onderwijs

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Link+ B1-B2 thema 1.3

We lezen de tekst

Link+ thema 15.3

Wat is er aan de hand?

Discussie in groep: Irritaties

Er zijn vier delen.


Duid voor elk onderdeel een verslaggever aan die straks vertelt aan de anderen wat jullie groep dacht over de onderwerpen.

1.     Wat vind je vervelend aan de plek waar je nu woont?


2.     Wat vind je vervelend aan met de trein auto, fiets … naar je werk gaan?


3.     Denk je dat jij gewoontes hebt die andere mensen vervelend vinden?


4.     Vind je het vervelend als mensen in het openbaar zoenen?


5.     Word je boos als iemand voordringt in de rij?


6.     Welke technologische producten vind je vervelend? (mobiele telefoons of nog iets anders?)


7.     Welke vervelende gewoontes heeft je beste vriend of vriendin?


8.     Vind je roken vervelend of irritant?


9.     Word je boos als mensen zich slecht gedragen? Kun je voorbeelden geven?


10. Maak jij andere mensen soms boos door jouw gewoontes?



11. Wat doe je als iets je erg stoort?


12. Hoe kun je vervelende gewoontes veranderen?


13.Hoe irriteren sommige automobilsten je soms


14. Waar erger je aan bij kinderen? in welke omstandigheden?


15. Wat is jouw grootste ergernis?

16. Vind je het vervelend als mensen spelfouten maken in een mail of een tekst?


17. Wie is de meest vervelende persoon die je kent? Waarom?


18. Hoe zeg je tegen iemand dat hij of zij vervelend is?


19. Denk je dat andere mensen jou vervelend vinden? Waarom?


20. Wie is de meest vervelende beroemdheid? Waarom?


21. Vind je het vervelend als mensen jouw taal niet spreken of niet willen spreken?

Schrijfoefening

Schrijf 10 zinnen met minstens 12 woorden met deze werkwoorden.

Praat over vroeger, geef tijdsaanduidingen, verander van onderwerp en gebruik adjectieven!


1. rijden 2. brengen


3. huren 4.draaien


5. komen 6. dragen


7. weten 8. genezen


9. blijven 10. gooien


1. rijden

2. brengen

3. huren

4. draaien

5. komen

6. dragen

7. weten

8. genezen

9. blijven

10. gooien