12 febrero 2019 1T

¡HOLA!
Hoy es martes, 
12 de febrero de 2019.
1 / 29
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

¡HOLA!
Hoy es martes, 
12 de febrero de 2019.

Slide 1 - Slide

SO 19 febrero
WAT MOET JE WETEN VOOR 19 februari A.S.?
  1. Vocabulario uit "mi familia"
  2. Persoonsvormen: yo, tú, él , ella, usted, nosotros, nosotras, vosotros, vosotras, ellos ellas y ustedes. Weet je wat die betekenen?
  3. SER ( vervoegen: yo soy, tu eres, él/ella es enz.) + ESTAR (yo estoy, tú estás, él/ella/usted está, enz.) + TENER (yo tengo, tú tienes, él tiene, enz.)
  4. Los números CERO hasta CIEN (0-100)
  5. Regel -AR, -ER, -IR eindigen: Hoe pas je de regel toe?
  6. Bezittelijke voornaamwoorden (mi, tu, su, nuestro/a/os/as, vuestro/a/os/as)

Slide 2 - Slide

Poster van je familie 
Beschrijving van jezelf en 4 familileden. Hoeveel broers en zussen je hebt, ouder of jonger dan je? + naam, leeftijd, waar ze wonen, hoe ze zijn (ogen, haar, lengte, etc), wat ze leuk vinden om te doen. Zie het vooebeeld op pagina 16
Eerst de zinnen naar jouw docente sturen!
(Let op: hele zinnen, grammatica, vocabulaire gebruik, originaliteit).
Volgende week = SO
De week erna = Póster

Slide 3 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
Repaso: Herhalen van afgelopen weken + huiswerk nakijken.
Wij kunnen vertellen over onze familie, wij kunnen onze familie beschrijven.
Póster
Hoy empezamos con "mi casa": wij gaan alle woorden leren over het huis zodat je jouw huis kan beschrijven in de film voor jouw (zogenaamd) Spaanse uitwisselingvriend.
Tijd om de poster te maken + tijd om de vocabulario "mi casa" via quizlet te leren.https://quizlet.com/join/XZ7sSCCv2 
Cerrar la clase (¿Qué has aprendido hoy? - Wat heb je vandaag geleerd?)

Slide 4 - Slide

Verbos -AR-ER -IR
Regelmatige werkwoorden eindigend op -AR , -IR , -ER
Weet je de regel nog?

Slide 5 - Slide

Weet jij de persoonsvormen in het Spaans? Koppel de juiste Nederlandse betekenis eraan. 
Doe daarna het zelfde met de rode kaartjes. (Weet je een woord niet? zoek het op!)
YO
ÉL, ELLA, USTED
NOSOTROS, NOSOTRAS
VOSOTROS, VOSOTRAS
ELLOS, ELLAS, USTEDES
ik
jij
María y Pepe
zij (mv)
wij
hij
jullie
zij
mi hermano y yo
u (mv)
Isabel y tú
Juan
señor González

Slide 6 - Drag question

Oefenen met regelmatige werkwoorden op -AR
YO
ÉL, ELLA, USTED
NOSOTROS, NOSOTRAS
VOSOTROS, VOSOTRAS
ELLOS, ELLAS, USTEDES
HABLO
BAILO
CANTA
BAILAN
ESCUCHAS
TOCAMOS
ESCUCHÁIS
BAILA
HABLAN
CANTAMOS
ESTUDIÁIS
HABLAS

Slide 7 - Drag question

Oefenen met regelmatige werkwoorden op -IR
YO
ÉL, ELLA, USTED
NOSOTROS, NOSOTRAS
VOSOTROS, VOSOTRAS
ELLOS, ELLAS, USTEDES
VIVÍS
VIVIMOS
ESCRIBE
VIVO
COMPARTO
ESCRIBIMOS
COMPARTEN
VIVES
ESCRIBEN
VIVE

Slide 8 - Drag question

Oefenen met regelmatige werkwoorden op -ER
YO
ÉL, ELLA, USTED
NOSOTROS, NOSOTRAS
VOSOTROS, VOSOTRAS
ELLOS, ELLAS, USTEDES
COMO
APRENDES
BEBES
CORREMOS
VENDEN
APRENDEMOS
VENDÉIS
BEBE
COMEMOS
VENDO
APRENDEN
COME
CORRE
BEBÉiS

Slide 9 - Drag question




yo (ik)
tú (jij)
él, ella, usted (hij, zij, u)

nosotros, nosotras (wij)
vosotros, vosotras (jullie)
ellos, ellas,ustedes (zij)
SER (zijn)
persoonsvormen

soy (ik ben)
eres (jij bent)
es (hij, zij is/ u bent)(ev)

somos (wij zijn)
sois (jullie zijn)
son ( zij zijn, u bent) (mv)
vervoeging

Slide 10 - Slide

Zet de juiste vorm van SER in de zin.
1. Mi madre (ella) ____ alta, yo _____ bajo
2. Alberto y María _____ argentinos
3. ¿Tú _________ española, Teresa?
4. ¿Vosotros _____ policías o bomberos?
5. Sanne y yo ______holandeses pero Natalia (ella) ________colombiana

Slide 11 - Open question

Slide 12 - Slide

yo
el, ella, ud
nosotros
vosotros

ellos, ellas, uds
tienes
tenéis
tiene
tenemos 
tengo
tienen

Slide 13 - Drag question

Wat is de correcte zin?
A
Tiene el pelo castaña
B
Tiene los ojos marrones
C
Tiene los ojos asule
D
Tiene los pelos rojo

Slide 14 - Quiz

(jouw).......madre
A
tu
B
C
tus
D
toe

Slide 15 - Quiz

(haar) ...... hermanos
A
su
B
sus
C
nuestros
D
vuestras

Slide 16 - Quiz

¿Cómo es Manolito? Schrijf 3 zinnen.

Slide 17 - Open question

wat
A
sus ojos son marrones
B
tu ojos es azul y verde
C
sus ojos son azules y verdes
D
tus ojo son azul y verde

Slide 18 - Quiz

Beschrijf het uiterlijk

Slide 19 - Open question

Slide 20 - Slide

Deberes para hoy
5, 6 y 7 (página 33)
19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28 y 29 (páginas 11 - 15)

Slide 21 - Slide

0

Slide 22 - Video

¿Cómo es tu familia?
¿Cómo eres tú? 
¿Tienes el pelo largo? ¿Tienes el pelo liso?
 ¿Tienes los ojos azules? ¿Eres delgado/a?
¿Eres guapo/a?  ¿Llevas gafas?

Slide 23 - Slide

Woordweb
  • Steekwoorden over een hotelboeken: bijv. land 
  • Zelf bedenken en niet zoeken 
  • Daarna kun je een filmpje bekijken hierover 
LA CASA

Slide 24 - Mind map

Los deberes para la próxima clase
( het huiswerk voor de volgende les...)
19 febrero SO


NOG VRAGEN? 



Slide 25 - Slide

¿Preguntas?     Vragen?

Slide 26 - Slide

Y... ¿qué has aprendido hoy?
¿ Hay preguntas? (zijn er vragen?)

Slide 27 - Slide

programa de martes 10 de octubre - v3 sp8
  • hwcheck MO vertalen vraag en antwoord: 12 t/m 18 + m. unidad 5 bron A: oef 1 t/m 4 + leren MO 1 t/m 11 vraag en antwoord
  • nakijken
  • oefenen met MO
  • lees/schrijfdossier

Slide 28 - Slide

2e lesuur: Jij mag kiezen!
  1. Ik wil de tekst graag samen met de docent helemaal doornemen en een stukje vertalen. (P2)
  2. Ik wil de tekst in een groepje doornemen en een stukje vertalen. (P4)
  3. Ik wil graag zelf proberen om de tekst door te nemen en een stukje te vertalen. (P3)

Slide 29 - Slide