Verdienen & Uitgeven (5e) H2. De economische kringloop

Verdienen & Uitgeven
1. Inkomen verdienen
  • toegevoegde waarde
  • productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
  • bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen
2. De economische kringloop
  • geldstromen tussen gezinnen, bedrijven, overheid, banken en buitenland
3. De structuur
  • groeifactoren en productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
4. Goede tijden, slechte tijden
  • hoogconjunctuur en laagconjunctuur (recessie of zelfs depressie)
1 / 50
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Verdienen & Uitgeven
1. Inkomen verdienen
  • toegevoegde waarde
  • productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
  • bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen
2. De economische kringloop
  • geldstromen tussen gezinnen, bedrijven, overheid, banken en buitenland
3. De structuur
  • groeifactoren en productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
4. Goede tijden, slechte tijden
  • hoogconjunctuur en laagconjunctuur (recessie of zelfs depressie)

Slide 1 - Slide

Week 8 (vanaf 16 februari 2026) 
Hoofdstuk 2. De economische kringloop
  • terugblik vorige les (welvaart)
  • klassikaal bespreken formatieve toets (hoofdstuk 1)
  • leerdoelen (economische kringloop)
  • instructie (economische kringloop)
  • gastdocent Gijs van den Brekel
  • weektaak: 2.1 t/m 2.5 en 2.6 t/m 2.10

Slide 2 - Slide

Terugblik vorige les (BBP)
                                  via de productie BBP        =          via het inkomen BBI
                                 (objectieve methode)                  (subjectieve methode)







                             + ambtenarensalarissen                     + afschrijvingen 

Slide 3 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)


=
 de productie van alle commerciële en
niet-commerciële bedrijven bij
elkaar opgesteld
=
Bruto Binnenlands Inkomen (BBI)


Slide 4 - Slide

Reëel inkomen
Reëel inkomen betekent inkomen in goederen (of volume),
in tegenstelling tot nominaal inkomen dat inkomen in geld betekent.
Formule: % Δ reëel inkomen = % Δ nominaal inkomen - % inflatie

Slide 5 - Slide

Welvaart en welzijn

Slide 6 - Slide

Formatieve toets (hoofdstuk 1)
Klassikaal bespreken (formatieve toets hoofdstuk 1 in toetspers):
  • vraag 1 (toegevoegde waarde)
  • vraag 6 (informeel circuit)
  • vraag 8 (stijging% reëel inkomen)
  • vraag 14 (reële BBP groei)

Slide 7 - Slide

Leerdoelen H2. Economische kringloop
  • Ik kan de begrippen op pagina 25 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan het BBP berekenen:
        - als de som van de bestedingen (C + I + O + E - M),
        - als de som van de toegevoegde waarde,
        - als de som van de beloningen voor de productiefactoren.
  • Ik kan het verband tussen de productie, het inkomen en de bestedingen verklaren en rekenkundig onderbouwen.
  • Ik kan de geldkringloop voor een gesloten en open economie met overheid beschrijven en berekenen.
  • Ik kan onderscheid maken tussen de reële kringloop en de geldkringloop.































Slide 8 - Slide

Economische kringloop (eenvoudig)

Slide 9 - Slide

Economische kringloop (met banken)

Slide 10 - Slide

Economische kringloop (model)

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Economische kringloop
  • gaat over bestedingen
  • tussen 5 economische sectoren 
       1. gezinnen
       2. bedrijven
       3. financiële instellingen
       4. overheid
       5. buitenland
  • het is een vereenvoudigde weergave van de geldstromen tussen deze sectoren (dus geen stromen van goederen, diensten en productiefactoren)
  • voor elke sector geldt: ingaande geldstroom = uitgaande geldstroom

Slide 13 - Slide

Economische kringloop (afkortingen)
  • W = Binnenlands Product
  • Y = Nationaal Inkomen
  • C = Consumptie (van consumptiegoederen)
  • B = Belastingen
  • S = Sparen
  • I = Investeringen (in kapitaalgoederen)
  • O = Overheidsbestedingen
  • E = Export
  • M = Import

Slide 14 - Slide

Economische kringloop (formules)
  • Y = C + B  + S                        (BBI = bestedingen van de gezinnen = BBP)
  • Y = C + I + O + E - M           (BBI = bestedingen aan de bedrijven = BBP)
  • particulier spaarsaldo = S - I
  • overheidssaldo              = B - O
  • nationaal spaarsaldo  = (S - I) + (B-O)
  • saldo buitenland           = E - M (saldo
                       lopende rekening betalingsbalans)
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 15 - Slide

Oefening (economische kringloop)
Onderstaande gegevens zijn bekend voor Nederland:
- nationaal inkomen = 640
- investeringen = 98      
- overheidsbestedingen = 133
- belastingen = 128                        Y = C + B + S                          
- besparingen = 84                        Y = C + I + O + E - M
- exporten = 45                               (S - I) + (B - O) = (E - M)

1. Wat is de waarde van de Consumptie en de Import?
2. Is er een positief of negatief particulier spaarsaldo, buitenlandsaldo en
     overheidssaldo?

timer
5:00

Slide 16 - Slide

Oefening (antwoorden)
1. Wat is de waarde van de Consumptie en Import?
  • Y = C + B + S
  • 640 = C + 128 + 84
  • C = 64 -128 - 84 = 428 (consumptie)
  • Y = C + I + O + E – M
  • 640 = 428 + 98 + 133 + 45 – M
  • M = 428 + 98 + 133 + 45 – 640 = 64 (import)
2. Is er een positief of negatief particulier spaarsaldo, uitvoersaldo en overheidssaldo?
  • particulier spaarsaldo = S - I = 84 - 98 = -14 (negatief)
  • uitvoersaldo = E - M = 45 = 64 = -19 (negatief)
  • overheidssaldo = B - O = 128 - 133 = -5 (negatief)
Y = 640
 I = 98 
 O = 133 
 B = 128 
 S = 84
E = 45

Y = C + B + S
 Y = C + I + O + E - M




(S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 17 - Slide

Overheid
  • O = Cop + Com + lo
       Cop  = personele overheidsconsumptie
                     (naar de gezinnen)
       Com = materiële overheidsconsumptie
                     (naar de bedrijven)
       Io       = overheidsinvesteringen
                     (naar de bedrijven)
  • Y = Ybedr + Yo
       Ybedr = BBI gezinnen bij bedrijven
       Yo        = BBI gezinnen bij overheid

Slide 18 - Slide

BBP / BBI berekenen
(ambtenarensalarissen)
+ afschrijvingen

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Les en weektaak
  • wat: opdracht 2.5 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.1 t/m 2.5
timer
10:00

Slide 21 - Slide

Verdienen & Uitgeven
1. Inkomen verdienen
  • toegevoegde waarde
  • productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
  • bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen
2. De economische kringloop
  • geldstromen tussen gezinnen, bedrijven, overheid, banken en buitenland
3. De structuur
  • groeifactoren en productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
4. Goede tijden, slechte tijden
  • hoogconjunctuur en laagconjunctuur (recessie of zelfs depressie)

Slide 22 - Slide

Week 9 (vanaf 24 februari) 
Hoofdstuk 2. De economische kringloop
  • terugblik vorige les (kringloop)
  • aan de slag (opdracht 2.6)
  • leerdoelen (BBP berekenen)
  • instructie (BBP berekenen)
  • maakwerk: 2.6 t/m 2.10

Slide 23 - Slide

Economische kringloop
  • gaat over bestedingen
  • tussen 5 economische sectoren 
       1. gezinnen
       2. bedrijven
       3. financiële instellingen
       4. overheid
       5. buitenland
  • het is een vereenvoudigde weergave van de geldstromen tussen deze sectoren (dus geen stromen van goederen, diensten en productiefactoren)
  • voor elke sector geldt: ingaande geldstroom = uitgaande geldstroom

Slide 24 - Slide

Economische kringloop (afkortingen)
  • W = Binnenlands Product
  • Y = Nationaal Inkomen
  • C = Consumptie (van consumptiegoederen)
  • B = Belastingen
  • S = Sparen
  • I = Investeringen (in kapitaalgoederen)
  • O = Overheidsbestedingen
  • E = Export
  • M = Import

Slide 25 - Slide

Economische kringloop (formules)
  • Y = C + B  + S                        (BBI = bestedingen van de gezinnen = BBP)
  • Y = C + I + O + E - M           (BBI = bestedingen aan de bedrijven = BBP)
  • particulier spaarsaldo = S - I
  • overheidssaldo              = B - O
  • nationaal spaarsaldo  = (S - I) + (B-O)
  • saldo buitenland           = E - M (saldo lopende rekening
                                                                                   betalingsbalans)
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 26 - Slide

Oefening (economische kringloop)
  • teken de sector Gezinnen en de sector Bedrijven
  • teken de sector Financiële Instellingen
  • teken de sector Overheid en de sector Buitenland
  • teken de pijlen Y = C + B + S
  • teken de pijlen Y = C + I + O + E - M
  • teken de pijlen  (S - I) + (B - O) = (E - M)

  • zet nationaal inkomen (640) bij de juiste pijl
  • zet belastingen (128) en besparingen (64) bij de juiste pijlen
  • zet investeringen (98), overheidsbestedingen (133) en exporten (45) bij de juiste pijlen

Slide 27 - Slide

Oefening (economische kringloop)
Onderstaande gegevens zijn bekend voor Nederland:
- nationaal inkomen = 640
- investeringen = 98      
- overheidsbestedingen = 133
- belastingen = 128                        Y = C + B + S                          
- besparingen = 84                        Y = C + I + O + E - M
- exporten = 45                               (S - I) + (B - O) = (E - M)

1. Wat is de waarde van de Consumptie en de Import?
2. Is er een positief of negatief particulier spaarsaldo, buitenlandsaldo en
     overheidssaldo?

timer
10:00

Slide 28 - Slide

Oefening (antwoorden)
1. Wat is de waarde van de Consumptie en Import?
  • Y = C + B + S
  • 640 = C + 128 + 84
  • C = 64 -128 - 84 = 428 (consumptie)
  • Y = C + I + O + E – M
  • 640 = 428 + 98 + 133 + 45 – M
  • M = 428 + 98 + 133 + 45 – 640 = 64 (import)
2. Is er een positief of negatief particulier spaarsaldo, uitvoersaldo en overheidssaldo?
  • particulier spaarsaldo = S - I = 84 - 98 = -14 (negatief)
  • uitvoersaldo = E - M = 45 = 64 = -19 (negatief)
  • overheidssaldo = B - O = 128 - 133 = -5 (negatief)
Y = 640
 I = 98 
 O = 133 
 B = 128 
 S = 84
E = 45

Y = C + B + S
 Y = C + I + O + E - M




(S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 29 - Slide

Overheid
  • O = Cop + Com + lo
       Cop  = personele overheidsconsumptie
                     (naar de gezinnen)
       Com = materiële overheidsconsumptie
                     (naar de bedrijven)
       Io       = overheidsinvesteringen
                     (naar de bedrijven)
  • Y = Ybedr + Yo
       Ybedr = BBI gezinnen bij bedrijven
       Yo        = BBI gezinnen bij overheid

Slide 30 - Slide

Aan de slag
  • wat: opdracht 2.6 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: 10 minuten
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.7 t/m 2.10
timer
10:00

Slide 31 - Slide

Opgave 2.6
a. Bereken welk bedrag de bedrijven en overheid samen aan de gezinnen betalen in de vorm van loon, rente, huur, pacht en winst.
  • Y = Ybedr + Yo = 460 + 40 = 500

b. Toon met een berekening aan dat je de uitgaven van gezinnen weer kunt geven als: 
Y = C + B + S
  • 500 = 250 + 100 + 150

c. Leg uit wat de geldstroom van banken naar bedrijven (I = 120) voorstelt.
  • de banken lenen bedrijven € 120 miljard ter financiering van de investeringen

Slide 32 - Slide

Opgave 2.6
d. Welke sectoren kopen goederen en diensten bij bedrijven?
  • Gezinnen (C), Overheid (Com + Io) en Buitenland (E)

e. Toon met behulp van getallen in de figuur aan dat geldt:
Y = C + I + O + E - M
  • constateer dat O = Cop + Com + Io
  • 500 = 250 + 120 + (70 + 40) + 160 - 140

f. Heeft de overheid een tekort of een overschot?
  • constateer dat O = Cop + Com + Io
  • O - B = (70 + 40) - 100 = 10 overheidstekort (overheidsuitgaven > belastingontvangsten)

Slide 33 - Slide

Opgave 2.6
g. Bereken welke bedrag buitenlandse bedrijven bij Nederland moeten lenen.
  • E - M = (160 - 140) = 20 exportoverschot, dus het buitenland heeft een tekort en moet dus 20 miljard lenen

h. Laat zien dat geldt: S = I + (O- B) + (E - M)
  • 150 = 120 + (110 - 100) + (160 - 140)
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)
  • - I naar de andere kant: S + (B - O) = I  + (E - M)
  • (B - O) naar de andere kant S = I + (O - B) + (E - M)

Slide 34 - Slide

Leerdoelen H2. Economische kringloop
  • Ik kan de begrippen op pagina 25 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan het BBP berekenen:
        - als de som van de bestedingen (Y = C + I + O + E - M),
        - als de som van de toegevoegde waarde,
        - als de som van de beloningen voor de productiefactoren.
  • Ik kan het verband tussen de productie, het inkomen en de bestedingen verklaren en rekenkundig onderbouwen.
  • Ik kan de geldkringloop voor een gesloten en open economie met overheid beschrijven.
  • Ik kan onderscheid maken tussen de reële kringloop en de geldkringloop.
  • Ik kan met behulp van berekeningen de geldkringloop verhelderen. 































Slide 35 - Slide

BBP / BBI berekenen
Tekst
(ambtenarensalarissen)
+ afschrijvingen

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Les en weektaak

  • wat: opdracht 2.7 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.6 t/m 2.10
timer
10:00

Slide 38 - Slide

Opgave 2.7





a. Toon aan dat het land een nationaal spaartekort heeft door het binnenlands product te vergelijken met de nationale bestedingen, b. bepaal het importoverschot en c. leg uit dat het nationaal spaartekort samengaat met het importoverschot.
  • binnenlands product = W  = € 500 miljard
  • nationale bestedingen (exclusief buitenland!) = C + I  + O = € 250 + € 110 + € 150 = € 510 mld
  • nationaal spaartekort = € 500 - € 510 = - € 10 miljard = (E - M) = € 90 - € 100 = (S - I) + (B - O)
  • W = Y
  • C
  • I
  • O
  • E
  • M
Van een land is het volgende gegeven:
 - binnenlands product € 500 miljard
 - consumptie € 250 miljard
 - investeringen van bedrijven € 110 miljard
 - overheidsbestedingen € 150 miljard
 - export € 90 miljard
 - import € 100 miljard

Slide 39 - Slide

Opgave 2.9
De gegevens in tabel 2.1 hebben betrekking op een land in 2021.
De bedragen zijn in miljarden euro's.
Bepaal de hoogte van het BPP op 3 verschillende manieren.

1. Bestedingen
  • BBP = C + I + O + E - M  = 341 + 160 + 188 + 653 - 568 = 774 miljard
2. Primaire inkomens
  • BPP = loon + winst + rente + huur + pacht = 583 + 191 = 774 miljard
3. Toegevoegde waarde 
  • BPP = omzet - onderlinge leveringen + overheidsproductie = 1.332 - 643 + 85 = 774 miljard

Slide 40 - Slide

Opdracht 2.10
a. Door de gezinnen met een hoog gemiddeld inkomen wordt in totaal minder verdiend dan door de gezinnen met een laag inkomen. Leg uit hoe dat komt.
  • per gezin H wordt er meer verdiend dan gezin L, blijkbaar zijn er minder gezinnen H

b. Is er een progressief belastingstelsel?
  • gezinnen L bestalen 75/300  x 100% = 25% 
  • gezinnen H betalen 80/200 x 100% = 40%

Slide 41 - Slide

Opdracht 2.10
c. Bereken het saldo overheid en teken de pijl.
  • inkomsten overheid = BL+BH = 75+80 = 155
  • uitgaven overheid =  O = 168
  • saldo overheid = B - O = 155 - 168 = -13
  • tekort van 13 van Banken naar Overheid

Slide 42 - Slide

Opdracht 2.10
Voor gezinnen L geldt ze van het netto inkomen 20% besparen.

d. Toon aan dat gezinnen H een groter percentage van hun netto inkomen sparen.
  • netto inkomen gezin H = Y-B = 200-80=120
  • percentage sparen = 48/120 x 100% = 40%
e. Geef daar een verklaring voor.
  • gezinnen L geven een groter deel van hun inkomen uit aan noodzakelijke uitgaven en kunnen dus minder sparen 

Slide 43 - Slide

Opdracht 2.10
Stel dat de overheid de belastingen voor de gezinnen H met 10 miljard verhoogd en voor de gezinnen L verlaagd met 10 miljard.

f. Werkt dit nivellerend op de primaire of secondaire inkomensverdeling?
  • secondaire inkomensverdeling
g. Leg uit dat deze maatregel de particuliere consumptie zal vergroten.
  • besteedbaar inkomen gelijk maar gezinnen L besteden meer en sparen minder

Slide 44 - Slide

Opdracht 2.10
Bij gezinnen L is de AIQ 85%, terwijl bij gezinnen H de AIQ slechts 60% bedraagt.

h. Geef een mogelijke verklaring voor dit verschil in AIQ.
  • gezinnen H hebben relatief vaak extra inkomen uit vermogen
i. Bereken de AIQ voor het gehele land.
  • we moeten de AIQ's van gezinnen wegen
  • ((0,85 x 300) + (0,6 x 200)) / 500 x 100% = 75%

Slide 45 - Slide

Van een economische kringloop met alleen gezinnen en bedrijven zijn de volgende gegevens bekend: het BBP is € 520 miljard en de consumptie van gezinnen is € 420 miljard.

Hoeveel bedragen de investeringen van bedrijven?
A
€ 120 miljard
B
€ 100 miljard
C
€ 80 miljard
D
€ 60 miljard

Slide 46 - Quiz

Van een economische kringloop met bedrijven, gezinnen, overheid en buitenland bedraagt: - saldo lopende rekening +50 miljard
- saldo overheid -80 miljard
- investeringen van bedrijven 120 miljard

Hoeveel zijn de besparingen van gezinnen?
A
10 miljard
B
90 miljard
C
170 miljard
D
250 miljard

Slide 47 - Quiz

Opdracht 2.13
a. Toon aan dat het nationaal inkomen gelijk is aan de bestedingen min de import.
  • Y = C + I + O + E - M
  • 355 = 240 + 25 + 70 + 290 - 270
b. Zijn in dit kringloopschema geldstromen of goederenstromen getekend.
  • geldstromen 
c. Is er een nationaal spaartekort / overschot?
  • nationaal spaarsaldo = (S-I) + (B-O) = (E-M)
  • (60-25) + (55-70) = (290-270) = 20 miljard nationaal spaaroverschot 

Slide 48 - Slide

Economische kringloop (afkortingen)
W =
Y =
C =
B =
S =
I =
O =
E =
M =
  • Binnenlands Product
  • Nationaal Inkomen
  • Consumptie (consumptiegoederen)
  • Belastingen
  • Sparen
  • Investeringen (kapitaalgoederen)
  • Overheidsbestedingen
  • Export
  • Import

Slide 49 - Slide

Economische kringloop (formules)









saldo buitenland = saldo lopende rekening betalingsbalans
Y = 
Y = 
- particulier spaarsaldo =
- overheidssaldo =
- nationaal spaarsaldo =
- saldo buitenland =
- saldo totalen =

  • C + B + S                 (BBI = bestedingen van gezinnen = BBP)
  • C + I + O + E - M    (BBI = bestedingen aan bedrijven = BBP)
  • S - I
  • B - O
  • (S - I) + (B-O)
  • E - M
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 50 - Slide