Op A2 wordt van je verwacht dat je goede woordvolgorde gebruikt in Engelse zinnen, voldoende woordenschat hebt, zinnen aan elkaar kunt voegen en je kunt starten en afsluiten op de juiste manier. We gaan even oefenen met deze onderdelen.
Woordenschat en woordvolgorde
Signaalwoorden/voegwoorden
Aanhef/afsluiting
Slide 11 - Slide
Vocabulary/synonyms
Gebruik niet steeds dezelfde woorden. Dit betekent dat je woordenschat onvoldoende is.
I like, what I like the most, I really like......
Gebruik niet steeds hetzelfde woord.
Gebruik ook andere vormen, zoals:
I am fond of, I fancy, I love, I prefer.....
Slide 12 - Slide
Geef 3 andere Engelse woorden die aangeven dat je iets leuk/fijn/prettig vindt
Slide 13 - Mind map
Geef 3 andere Engelse woorden die hetzelfde betekenen als het woord 'big'
Slide 14 - Mind map
Word order
Basic word order (in short)
Wie Doet Wat Waar Wanneer
Slide 15 - Slide
wie
doet
wat
waar
wanneer
Word Order
Carolyn
in summer
walking
on the beach
enjoys
Slide 16 - Drag question
What is the correct word order?
We
looked up
words
in a dictionary
last week
Slide 17 - Drag question
Conjunctions
Voegwoorden gebruik je om zinnen aan elkaar te plakken.
Examples:
and, but, or, so, yet-> zinnen aan elkaar plakken
because, since, therefore, due to (vanwege) -> reden geven