Ik pin bij de kassa in de winkel.
Nora rijdt met de scooter naar het voetbalveld.
Henk betaalt €15,- bij de bioscoop.
De tieners dansen in de disco.
De vrienden fietsen naar het zwembad.
De ziekenwagen rijdt naar het ziekenhuis.
De bushalte is voor het station.
De bibliotheek is naast de kerk.
Mijn ouders gaan op vrijdag naar de moskee.
We gaan op zondag naar de kerk.
Bij het voetbalveld is ook een zwembad.