BASIS Weer en klimaat

BASIS Weer en klimaat oefenen
Succes!
1 / 48
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

BASIS Weer en klimaat oefenen
Succes!

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen weer en klimaat?
A
Het is hetzelfde
B
Het weer is klimaat over een lange periode
C
Het klimaat is weer over lange periode + groot gebied

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Wat bepaalt het weer en klimaat in Nederland?
A
Nederland ligt aan zee
B
Nederland ligt hoog
C
Nederland ligt dichtbij de evenaar
D
Nederland ligt ver van de evenaar

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Juist of onjuist?
Temperatuur en neerslag zijn weerelementen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Je ziet een weerkaart van de provincie Groningen. Welke weerelementen ontbreken (zijn er niet) op de weerkaart?


A
bewolking en temperatuur
B
luchtdruk en temperatuur
C
luchtdruk en neerslag
D
Neerslag en bewolking

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Welke weerelementen worden er op het weerbericht altijd genoemd?
A
temperatuur, wind, neerslag en bewolkingsgraad
B
temperatuur, regen, zonkracht, bewolkingsgraad
C
temperatuur, zonkracht, neerslag, bewolkingsgraad
D
uv-straling, temperatuur, neerslag, bewolkingsgraad.

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn de vier weerelementen? 
Sleep de vier juiste in de vakken. Er blijven twee over!
Hoeveelheid wind
Neerslag
Temperatuur
Zuurstof
Luchtdruk
Bewolking

Slide 7 - Drag question

This item has no instructions

Wat is GEEN klimaatfactor?

A
breedteligging
B
hoogteligging
C
natuurlijke plantengroei
D
invloed van zee- en luchtstromen

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Een van de klimaatfactoren is hoogteligging.
Wat is de regel bij deze klimaatfactor?
A
Elke 1000 meter wordt het 6 graden warmer
B
Elke 1000 meter wordt het 6 graden kouder
C
Elke 1000 meter wordt het 8 graden warmer
D
Elke 1000 meter wordt het 8 graden kouder

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Zet de klimaatfactoren op de juiste plek!
Breedteligging
Hoogteligging
Land vs. zee
Warme vs. koude zeestroom
Loefzijde vs. lijzijde
Luchtdrukgebieden

Slide 10 - Drag question

This item has no instructions

Hoogteligging gaat over ... ?
A
Hoe hoger je komt des te kouder het wordt
B
Hoe hoger het wordt des te warmer wordt het (want dichterbij de zon)
C
Verder naar het noorden of zuiden wordt het steeds kouder
D
Dichtbij de evenaar is het lekker warm

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

wat is de breedteligging?
A
afstand tot de evenaar, uitgedrukt in noorderbreedte of zuiderbreedte.
B
een schaal van 1 op 10
C
een keerkring in het midden van het land.
D
wind die van zee naar land waait.

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Welke drie begrippen horen bij de bronnen? 
Aflandige wind
Aanlandige wind
Lijzijde
Loefzijde
Hoogteligging
Breedteligging

Slide 13 - Drag question

This item has no instructions

De klimaatgrafiek hoort bij
A
landklimaat
B
zeeklimaat
C
middellands zeeklimaat
D
toendraklimaat

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

De klimaatgrafiek hiernaast is van een...
A
landklimaat
B
zeeklimaat
C
woestijnklimaat
D
tropisch regenwoudklimaat

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Aanlandige wind in Nederland:
Welk kenmerk van aanlandige wind is juist?
A
In de zomer is aanlandige wind warm.
B
Aanlandige wind waait vanaf het land naar zee.
C
In de winter is aanlandige wind koud.
D
In de winter is aanlandige wind warm.

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Hoe schuin de zonnestralen op het aardoppervlak vallen =
A
Zoninvalshoek
B
Zonkracht
C
Zonneschijn
D
UV-straling

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

De seizoenen in Nederland
Zet de foto's bij het juiste seizoen

Slide 18 - Drag question

This item has no instructions

Juist/onjuist

Luchtdruk verplaatst zich van een plaats lage luchtdruk naar een plaats met hoge luchtdruk.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Bij aanlandige wind komt de wind van...
A
Zee
B
land

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Wat is wind en hoe ontstaat wind ?
A
Wind is stromende lucht en is lucht die stroomt van lage drukgebieden naar hoge drukgebieden
B
Wind is stromende lucht en is lucht die zich naar boven beweegt
C
Wind is stromende lucht en is lucht die zich naar beneden beweegt
D
Wind is stromende lucht en is lucht die stroomt van hoge drukgebieden naar lage drukgebieden

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Windrichting
Luchtdruk
Neerslag
Temperatuur
Windsnelheid
Barometer
Pluviometer
Anemometer
Thermometer
Windvaan

Slide 22 - Drag question

This item has no instructions

Bij hoge druk
A
is het onbewolkt en warm
B
is het onbewolkt
C
is het bewolkt
D
is het bewolkt en koud

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Bij hoge druk is het altijd warm!
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Waardoor ontstaat hoge druk?
A
Doordat lucht naar het aardoppervlak daalt
B
Doordat de lucht door sterke opwarming stijgt
C
Doordat lucht afkoelt en naar het aardoppervlak daalt
D
Doordat de lucht naar het aardoppervlak daalt

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Hoe ontstaan wolken?
A
Door opstijgende waterdamp en opwarmende lucht
B
Door opstijgende waterdamp en afkoelende lucht
C
Door zinkende waterdamp en opwarmende lucht
D
Door zinkende waterdamp en afkoelende lucht

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Grote waterkringloop
Kleine waterkringloop
Neerslag
Verdamping

Slide 27 - Drag question

This item has no instructions

Korte waterkringloop
Lange waterkringloop
afstromen
neerslag
Infiltreren
Verdamping
Condenseren

Slide 28 - Drag question

nu kun je je kennis testen. 
Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: Een overeenkomst tussen landen met afspraken om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
A
Duurzame energie
B
Klimaatverdrag
C
Ecologische voetafdruk
D
Grijze energie

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Door klimaatverandering
wordt in Nederland ...
A
de winter warmer, natter + neemt in de zomer de neerslag toe
B
de winter warmer en neemt de neerslag jaarlijks af
C
wordt het neerslagregiem onregelmatiger

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Het 'gewone' broeikaseffect is hetzelfde als het versterkte broeikaseffect.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions


Zonder het natuurlijk broeikaseffect ...
A
... wordt het heel warm op aarde.
B
... blijft de temperatuur op aarde gelijk.
C
... wordt het op aarde net zo koud als in de ruimte.

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions


Het versterkt broeikaseffect is een groot probleem.
Welke stof veroorzaakt het versterkte broeikaseffect?

A
koolstofmono-oxide
B
stikstofdioxide
C
koolstofdioxide
D
zwaveldioxide

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Nederland heeft een gematigd zeeklimaat
A
waar
B
niet waar

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Een gematigd zeeklimaat heeft
A
koude winters
B
warme zomers
C
gematigde zomers en winters
D
Veel regen

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Een landklimaat heeft NIET...
A
Groot verschil in zomer en winter
B
Naaldbomen
C
Een zee
D
Loofbomen

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Beregening
Druppel irrigatie
Oppervlakte irrigatie

Slide 37 - Drag question

This item has no instructions

Wat is drainage?
A
Toevoer van water
B
Afvoer van water
C
Soort landbouw
D
Soort veeteelt

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Bij de lijzijde
A
is er sprake van stijgende lucht en droogte
B
is er spraken van stijgende lucht en regen
C
is er sprake van dalende lucht en droogte
D
is er sprake van stijgende lucht en regen

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Loefzijde
Lijzijde

Slide 40 - Drag question

This item has no instructions

???
???
??
??
Loefzijde
Lijzijde
Regenschaduw
Stuwingsneerslag

Slide 41 - Drag question

This item has no instructions

Wat zijn de kenmerken van een hooggebergteklimaat?
A
Klimaat met lage tempraturen en gemiddelde neerslag.
B
Klimaat in hoge gebergtes met hoge tempraturen en weinig neerslag
C
Klimaat in hoge gebergtes met lage tempraturen en veel neerslag (sneeuw)
D
Een hooggebergteklimaat bestaat niet.

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions

Welke klimaatfactor is van invloed op een hooggebergteklimaat?
A
breedteligging
B
hoogteligging
C
afstand tot de zee
D
windrichting

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

Wat is akkerbouw?
A
Verbouwen van voedsel op een stuk land.
B
Het jagen op dieren.
C
Houden van dieren op een stuk land.
D
Het verzamelen van voedsel.

Slide 44 - Quiz

This item has no instructions

Akkerbouw
Veeteelt

Slide 45 - Drag question

This item has no instructions

Intensieve veeteelt 
Duurzame veeteelt 

Slide 46 - Drag question

This item has no instructions

veeteelt 
tabak 
soja en mais 
melkveeteelt 
zomertarwe
ext veeteelt 
wintertarwe
katoen en rijst 

Slide 47 - Drag question

This item has no instructions

Welke onderdelen vond je erg lastig?

Slide 48 - Open question

This item has no instructions