6.2 Hoeveel belasting betaal je?

6.2 Hoeveel belasting betaal je?
1 / 25
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

6.2 Hoeveel belasting betaal je?

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
Na deze les begrijp jij:
  • Hoe je de te betalen inkomstenbelasting BOX1 berekent met "de schijven"
  • Dat we in NL progressieve belastingtarieven hebben
  • Dat je ook andere soorten belastingtarieven (degressief en proportioneel)
  • Welke inkomsten er in BOX3 zitten
  • Hoe je de te betalen inkomstenbelasting BOX 3 berekent
  • Hoe je de TOTALE INKOMSTENBELASTING (BOX1 + BOX3 - heffingskorting) BEREKENT

Slide 2 - Slide


Box 1 (herhaling)
In box 1 betaalde je belasting over je belastbaar inkomen uit werk en woning.

BELASTBAAR INKOMEN= bruto inkomsten + bijtellingen - aftrekposten

Slide 3 - Slide

Nu rekenen met het schijventarief (om de te betalen belasting BOX1 te berekenen)
In box 1 betaal je dus belasting over je belastbaar inkomen uit werk en woning. Het belastbaar inkomen wordt verdeeld over 2 schijven (schijventarief). Deze schijven krijg je altijd in een bron! bijvoorbeeld:

  • Schijf 1        tot € 73.031            36,93%
  • Schijf 2       vanaf € 73.031      49,50%


Slide 4 - Slide

Dusssss.. Hoeveel belasting betaal je nu in Box1 bij een belastbaar inkomen van €80.000?
Schijventarief - voorbeeld
  • Schijf 1        tot € 73.031            36,93%
  • Schijf 2       vanaf € 73.031      49,50%

Stel je verdient € 80.000
  • In schijf 1 heb jij €73.031 : 100 x 36,93 = € 26.907,35
  • In schijf 2: €80.000 - € 73.031 = € 6.969 -> € 6.969 : 100 x 49,50 = € 3.449,66
      -> € 26.907,35 + € 3.449,66 = € 30.357,01




Slide 5 - Slide


Progressief belastingtarief bij loonbelasting
Ons schijventarief in box1 is een voorbeeld van een  PROGRESSIEF TARIEF. Naarmate je meer EURO'S verdient, betaal je meer PROCENT belasting!! 

Begrijpen!!!!!: Het belastingpercentage wordt dus hoger voor rijkeren -> Dit heeft een NIVELLEREND EFFECT op het inkomen!! (Nivellering = inkomensverschillen worden naar verhouding kleiner)  


Een DEGRESSIEF TARIEF betekent dus dat je minder % belasting betaalt als je meer verdient..
Een PROPORTIONEEL TARIEF (noemen ze ook wel  "vlaktaks") betekent dat iedereen hetzelfde % belasting betaalt


Slide 6 - Slide

Nu de belsting in BOX 3!

Slide 7 - Slide


BOX 3 Vermogensrendementsheffing
In box 3 betaal je belasting over het rendement van je vermogen
  • spaargeld
  • beleggingen
Een deel van je vermogen is vrijgesteld van belastingen. Dit is het heffingsvrije vermogen. Dat haal je dus van je vermogen af en over de rest (= het belastbaar vermogen) wordt belasting berekend..
Al krijg je allemaal waarschijnlijk een ander rente% op jouw spaarrekening, de belastingdienst BEDENKT (dus fictief) een rendement dat voor iedereen geldt bij deze berekening. Het is dus niet jouw ECHTE rendement van je vermogen, maar een FICTIEF rendement waarover je de belasting in BOX3 berekent

Slide 8 - Slide

Berekening van de belasting in BOX 3 in 3 stappen in beeld:
1. Je vermogen - heffingvrije vermogen= je BELASTBAAR VERMOGEN


2. Hierover bereken je het  FICTIEVE RENDEMENT (dus niet de spaarrrente die jij echt van de bank krijgt, maar het rendement wat de belastingdienst heeft "bedacht", bijv. 19%)


3. Nu bereken je de belasting BOX3 (bijv 31%) over dat fictieve rendement uit
bijv. €65.000 - 50.000= €15.000
bijv. 1,9% van €15.000= €285 
bijv. 31% van €285= €88

Slide 9 - Slide

BOX 3

Slide 10 - Slide


Heffingskortingen
Als je te betalen belasting van BOX1 en BOX3 hebt opgeteld, mogen daar nog bepaalde heffingskortingen van af. Afhankelijk van jouw persoonlijke situatie heb je recht op 1 of meerdere heffingskortingen!!
Bijvoorbeeld:
  • Algemene heffingskorting (iedereen)
  • Arbeidskorting (voor werkenden)
  • Ouderenkorting (AOW leeftijd)
  • Alleenstaande ouderenkorting (want die hebben het financieel lastiger..)

DE KORTINGEN (WAAR JIJ RECHT OP HEBT) WORDEN VAN JE TE BETALEN INKOMSTENBELASTINGEN AFGETROKKEN!

Slide 11 - Slide

Hoeveel inkomstenbelasting betaal je TOTAAL?
Samengevat
BOX 1
  1. Bepaal je belastbaar inkomen.
    =inkomen + bijtelling - aftrekposten
  2. Verdeel je inkomen over schijven. 
  3. Bereken de belasting per schijf.

BOX 3
  1. Bepaal het belastbaar vermogen
    =vermogen - heffingsvrij vermogen 
  2. Bepaal het fictief rendement.
  3. Bereken belasting over rendement

Totale verschuldigde inkomstenbelasting=
belasting BOX 1 + belasting BOX 3 - heffingskortingen
+

Slide 12 - Slide

Bijbetalen of terug te ontvangen belasting???
Als je uiteindelijk hebt berekend hoeveel inkomstenbelasting je over vorig jaar (had) moet(en) betalen, kan je dat vergelijken met wat je baas al (12x) had ingehouden. 

Vervolgens weet je of je moet bijbetalen of juist geld mag terugvragen van de belastingdienst!! (zie opg 9 blz 177)

Slide 13 - Slide

In welke box komt het schijventarief voor?
A
Box 1
B
Box 2
C
Box 3
D
Box 4

Slide 14 - Quiz

In welke volgorde vinden de volgende gebeurtenissen plaats?
1. De belastingdienst berekent de inkomstenbelasting
2. Je krijgt een aanslag van de inkomstenbelasting
3. Je moet belasting bijbetalen of je krijgt belasting terug
4.Na afloop van het jaar doe je voor de inkomstenbelasting aangifte van je inkomsten.
5. Loonheffing wordt ingehouden op je loon.
A
1,2,3,4,5
B
3, 2, 5, 4 ,1
C
5, 4, 1, 2, 3
D
4, 1 , 3, 5, 2

Slide 15 - Quiz

In ons belastingsysteem voor de inkomstenbelasting (box 1) geldt dat
A
Hogere inkomens relatief meer belasting betalen
B
Hogere inkomens relatief minder belasting betalen
C
Iedereen evenveel belasting betaalt
D
Iedereen hetzelfde percentage belasting betaalt

Slide 16 - Quiz

Hoe bereken je het belastbaar vermogen (in box 3)?
A
bezittingen - schulden - heffingsvrij vermogen
B
bezittingen - schulden + heffingsvrij vermogen
C
bezittingen + schulden - heffingsvrij vermogen
D
bezittingen + schulden + heffingsvrij vermogen

Slide 17 - Quiz

Wat wordt belast in Box 3?
A
Belastbaar inkomen uit werk en eigen woning
B
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
C
Belastbaar inkomen uit investeringen
D
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Slide 18 - Quiz

In box 1 betaalt Imane € 22.198, in box 3 betaalt ze € 243.
Ze krijgt € 3.562 aan heffingskortingen.

Bereken het bedrag dat Imane aan inkomstenbelasting betaalt.
A
€25.517
B
€18.879
C
€18.393
D
€22.198

Slide 19 - Quiz

Wat wordt bedoeld met belastbaar vermogen in Box 3?
A
Alles wat je meer hebt dan het heffingsvrij vermogen.
B
Al het vermogen inclusief schulden.
C
Het vermogen dat jaarlijks gecontroleerd moet worden.
D
Het vermogen van minderjarige kinderen.

Slide 20 - Quiz

Bij belastingheffing in box 3 gaat de overheid uit van een fictief rendement van 1,9 %. Wat is fictief rendement?
A
Vermogensrendements-heffing
B
Heffingskorting
C
Wat je moet betalen aan de belastingdienst
D
De overheid doet alsof je geld verdient aan sparen en beleggen

Slide 21 - Quiz

1. Op 1 januari 2019 heeft Thijs in totaal € 150.000 spaargeld. Hij heeft geen schulden. Het heffingsvrije vermogen in box 3 bedraagt € 30.360,-. Bereken het belastbare vermogen voor Thijs in 2019.
A
€ 150.000
B
€ 150.000 - 3.100 = €146.900
C
€ 150.000 - € 30.360 = €119.640

Slide 22 - Quiz

extra

Slide 23 - Slide

belastbaar inkomen van 45.000
Berekening van te betalen belasting in box1:
Paar jaar terug: meer schijven

Slide 24 - Slide

Progressief belastingtarief
Progressief: Het belastingpercentage wordt hoger naarmate het belastbaar inkomen toeneemt.

Dit werkt nivellerend: inkomensverschillen worden naar verhouding kleiner 

Slide 25 - Slide