Nederlands in gang H 14 Naar de sportschool

Nederlands in gang
H. 14 In de sportschool
  Ik kan informatie vragen.
Zullen
Futurum 
uitspraak /oe/u/uu
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NT2HBOStudiejaar 1

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Nederlands in gang
H. 14 In de sportschool
  Ik kan informatie vragen.
Zullen
Futurum 
uitspraak /oe/u/uu

Slide 1 - Slide

Woordenlijst: in de sportschool
https://quizlet.com/nl/218839448/hoofdstuk-14-nederlands-in-gang-nederlands-engels-flash-cards/?i=1zl84x&x=1jqt

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Informatie vragen
Mag ik je iets vragen?
Tuurlijk, ga je gang.
Waar kan ik me inschrijven?
Je kunt het online doen of je kunt het even bij de balie (counter) vragen.
Weet u misschien ook of er hier een zwembad is?
Ja, er is een klein zwembadje bij en een spa.
Kunt u me ook zeggen hoe het publiek hier is?
Over het algemeen (in general) is iedereen rustig en respectvol.

Slide 4 - Slide

Kunt u me zeggen.....
Waar ligt Zandvoort?
Kunt u me zeggen waar Zandvoort ligt?
Wanneer is het pasje klaar?
Kunt u me zeggen wanneer het pasje klaar is?
Is deze sportschool duur?
Kunt u me zeggen of deze sportschool duur is?
Werkt de automaat op muntgeld?
Kunt u me zeggen of deze automaat op muntgeld werkt?

Slide 5 - Slide

opdracht 5
A
Gaat er een bus naar het park? Waar zijn mijn boeken?
Kun je in Limburg goed wandelen? Waar ligt Dordrecht?
Op welke bladzijde staat tekst 8? Wat hebben jullie gisteren gedaan?
B
Is Doriens moeder Nederlandse? Wie is dat blonde meisje?
Mag ik deze computer gebruiken? Waar is de wc?
Waarom beginnen we zo vroeg met de les? Wat is er gebeurd?
C
Is hier in de buurt een apotheek? Hoe laat begint de film?
Moeten we tekst 16 lezen?
Waar kun je mooie shirts kopen? Hoe werkt die automaat?
Heeft Sara al een kamer gevonden?

Slide 6 - Slide

opdracht 6

Slide 7 - Slide

Zullen

Vier betekenissen:

iets wat in de toekomst gaat gebeuren
een voorstel doen
een belofte doen
de verwachting dat iets gaat gebeuren

Slide 8 - Slide

Je kunt zullen gebruiken om iets te zeggen wat in de​ toekomst gaat gebeuren. ​

De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief

​Bijvoorbeeld:​
De trein zal over een paar minuten aankomen.​
De koning zal volgende maand Rotterdam bezoeken.​​

Slide 9 - Slide

Je kunt met zullen iets aan iemand voorstellen.​

De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief
                              de zin heeft de vorm van een vraag​
​Bijvoorbeeld:​
Zullen we naar de film gaan?​
Zal ik je morgen even helpen?​​

Slide 10 - Slide

Je kunt met zullen iets aan iemand beloven/een afspraak​ maken om bijv. iets te doen of ergens te zijn.​
De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief
Bijvoorbeeld:​
Ik zal je morgen helpen.​
We zullen er om 12:00 uur zijn.​
Ik zal je om 14:00 uur ophalen

Slide 11 - Slide

Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zullen' is in de zinnen.

Kies uit: belofte, voorstel, toekomst, waarschijnlijkheid.

We zullen om 08:00 uur vertrekken.
Zullen we vanavond naar de film gaan?
Ik zal een cadeau voor je kopen.
Hij heeft de bus gemist, dus hij zal wel te laat komen.

Slide 12 - Slide

Je kunt met zullen aangeven dat je verwacht dat iets​ gebeurt. Je weet het bijna zeker.

​De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief
vaak wordt het woordje ‘wel’ toegevoegd​
Bijvoorbeeld:​
Hij is niet op school. Hij zal wel ziek zijn.​
Ze zullen zich wel verslapen hebben.​
De lucht is donker, het zal wel gaan regenen.


Slide 13 - Slide

Opdracht: Zoek de twee delen van de zin bij elkaar. Schrijf de zinnen in je schrift.
Klaar? Vergelijk in duo's de antwoorden.

1. Hij zal vandaag            a. morgen je boek teruggeven.
2. Zal ik                              b. zal wel met de taxi komen.
3. Prinses Amalia            c. vanavond voor je koken?
4. Ik zal                              d. samen het huiswerk maken? 
5. Zullen we                      e. wel moeten werken.       

Slide 14 - Slide

Opdracht: Schrijf twee zinnen met 'zullen'.

Gebruik één keer enkelvoud en één keer meervoud.

Kies uit:
Toekomst
Voorstel doen
Belofte
Waarschijnlijkheid



Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Zullen (waarschijnlijkheid=probability)
NB: "Zullen" komt vaak met "wel"


Ik zal 
Ik zal morgen wel moe zijn.
Je zult
Je zult vanmiddag wel gaan sporten.
Hij/zij/het zal 
Het zal straks wel weer droog zijn.
Wij zullen
Wij zullen helaas niet kunnen komen.
Jullie zullen
Jullie zullen wel trek hebben. (be hungry)
Zij zullen
Zij zullen later komen. 

Slide 17 - Slide

 Het voltooid deelwoord is een werkwoordsvorm.
- Het voltooid deelwoord geeft aan dat iets is afgelopen
   (voltooid).
- In een zin met een voltooid deelwoord staat altijd een vorm
   van hebben of zijn.
- Het voltooid deelwoord staat vaak aan het eind van een zin.
- Het voltooid deelwoord begint vaak met ge-, be- of ver-.
Voltooid deelwoord

Slide 18 - Slide

Het hele werkwoord noemen we ook de infinitief.

Voltooid deelwoorden noemen sommigen ook wel de ge- be- en ver- woorden.

lopen --> infinitief gelopen --> voltooid deelwoord
eten --> infinitief gegeten --> voltooid deelwoord

Slide 19 - Slide

Wat is een voltooid deelwoord?

In een zin met een voltooid deelwoord staat altijd een vorm van de werkwoorden:

-hebben
-zijn
-worden

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

1: rennen - ik heb/ben
2: gooien - ik heb
3: voetballen - wij hebben
4: spelen - jij hebt
5: delen - hij heeft
6: gillen - wij hebben
7: praten - ik heb
8: computeren - ik heb
9: maken - jij hebt
10: gapen - ik heb

Slide 24 - Slide

1: Gelukkig is ze zo gewoon  (blijven) .
2: Heb jij de kinderen wel  (ophalen) ?
3: Ik heb enorm  (genieten) van onze lunch samen.
4: Tijdens het eindexamen is de docent Nederlands over een stoelpoot  (struikelen) !
5: Tijdens hun eerste date is hij tegen een lantaarnpaal
 (botsen) .
6: Na die botsing is hij gewoon  (doorlopen) .
7: Hij leek ook niet erg  (schrikken) te zijn.
8: Het meisje was als een blok voor de jongen  (vallen) .
9: Had ik dat maar eerder  (weten) !
10: Ik had mijn oude wiskundedocent bijna niet  (herkennen) .

Slide 25 - Slide

Futurum


Iets dat in de toekomst gebeurt.

hulpwerkwoord (auxiliary verb): zullen of gaan ( soms worden)

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

De toekomende tijd: Futurum
Over twee maanden begint de herfst.
Autumn will start in two months.
Over een maand ga ik verhuizen.
I'm moving in a month.
Volgend jaar zal ik minder gaan werken.
Next year I will work less.
Volgende week zal het geld op je rekening staan.
The money will be in your account next week.

Slide 28 - Slide

Drie manieren

1. Gewoon present tense:
De trein vertrekt om 8:30 uur. (The train departs at 8:30)
2. Met 'zullen'
Ik zal mij goed gedragen. (I shall behave well).
3. Met 'gaan'
Ik ga morgen zwemmen. (I will go swimming tomorrow).

Slide 29 - Slide

We gebruiken zullen + infinitief:

1. Voor een belofte (promise) of een voorstel
2. Om te benadrukken dat iets zeker zal gebeuren
3. Om te zeggen dat iets waarschijnlijk zal gebeuren (door de waarschijnlijkheid (probability) expliciet te vermelden)

Slide 30 - Slide

Een belofte (promise)/voorstel


Ik zal het nooit meer doen!
I will never do it again!
Zal ik de afwas doen?
Shall I do the dishes?
Ik zal daar geen genoegen mee nemen!
I won't settle for that. 

Slide 31 - Slide

3. Met 'gaan'

gaan in plaats van zullen
1. voor een voorgenomen/geplande actie (niet een belofte of voorstel)
2. om te zeggen dat een gebeurtenis waarschijnlijk zal plaatsvinden (zonder de zekerheid/waarschijnlijkheid te vermelden).

Slide 32 - Slide

Benadrukken dat iets zeker gaat gebeuren


Je zult dat nog nodig hebben.
You shall need that later.
Het zal niet makkelijk zijn.
It shall not be easy.
Daar zal niet veel van overblijven.
There shall not be much left of it. 

Slide 33 - Slide

Om te zeggen dat iets waarschijnlijk zal gebeuren 

Hij zal het waarschijnlijk morgen bekendmaken.
He shall probably announce it tomorrow.
Het zal morgen wel weer regenen.
It shall probably rain again tomorrow.
Je zult haar wel herkennen.
You shall probably recognise her. 

Slide 34 - Slide

voorbeelden met 'gaan'

Ik ga vanavond pannenkoeken bakken.
I'm going to bake pancakes tonight.
Dit jaar gaan we nog veel leuke dingen doen.
This year, we are going to do a lot of fun stuff.
Zij gaat morgen een liedje voor ons zingen.
She is going to sing a song for us.
Het gaat morgen regenen.
It is going to rain tomorrow. 

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Hij ............ gisteren de hele dag in bed.
A
ligde
B
lag
C
lach
D
ligte

Slide 37 - Quiz

Ik ............. vroeger elke dag hard.
A
liep
B
loopte
C
liepte
D
loopde

Slide 38 - Quiz

Toen ik klein was, ....... ik altijd om 19. 00 uur naar bed.
A
moet
B
moedde
C
moette
D
moest

Slide 39 - Quiz

De kleedkamers zijn ...............................
(the changing rooms are seperate)
A
scheiden
B
gescheiden
C
gescheid
D
gescheden

Slide 40 - Quiz

Het gaat goed met hem. Ik .......... hem gisteren nog.
A
spreek
B
spreekte
C
sprak
D
spreekde

Slide 41 - Quiz

Heb je lekker .........................?
A
geslapen
B
geslaapt
C
slapen
D
sliepen

Slide 42 - Quiz

Het is hier ........... om te roken.
(It is forbidden to smoke here)
A
verbieden
B
verbiedden
C
verboden
D
verbooden

Slide 43 - Quiz