week 10 - hww / kww / zww




Vandaag:
- we bekijken hoe we werken met het boek
- we bekijken de taak
- instructie Lees- en luisterstrategieën
- opdrachten 1 en 2 doen we klassikaal
- opdrachten 4 en 5 maak je zelfstandig
- evaluatie





Je legt klaar:
- iPad in de aanslag (dicht)
- agenda
- 2 A4 schriften
- pen
Week 9

timer
1:30
Klaar?
- lezen
- puzzel 1/212/14/20/26
Je legt klaar:
- iPad 
- Nieuw Nederlands
- werkschrift
- etui
hulp? check het eerst 
bij een groepsgenoot!
Grammatica §6: 1, 2, 3, 4
 
Vandaag:
- uitleg hww/kww/zww
- taakwerk
- pizzaboekverslag (8 maart)
- stageverslag (11 maart)



Aan het einde van deze week kan jij:
- hww / kww / zww onderscheiden

1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson




Vandaag:
- we bekijken hoe we werken met het boek
- we bekijken de taak
- instructie Lees- en luisterstrategieën
- opdrachten 1 en 2 doen we klassikaal
- opdrachten 4 en 5 maak je zelfstandig
- evaluatie





Je legt klaar:
- iPad in de aanslag (dicht)
- agenda
- 2 A4 schriften
- pen
Week 9

timer
1:30
Klaar?
- lezen
- puzzel 1/212/14/20/26
Je legt klaar:
- iPad 
- Nieuw Nederlands
- werkschrift
- etui
hulp? check het eerst 
bij een groepsgenoot!
Grammatica §6: 1, 2, 3, 4
 
Vandaag:
- uitleg hww/kww/zww
- taakwerk
- pizzaboekverslag (8 maart)
- stageverslag (11 maart)



Aan het einde van deze week kan jij:
- hww / kww / zww onderscheiden

Slide 1 - Slide

Sanne Ilsa Sem Twan Koen Robin Kübra 
Elk woord in een zin kan je benoemen.
Er zijn veel verschillende woordsoorten:
zelfstandig naamwoord - lidwoord - bijvoeglijk naamwoord - zelfstandig werkwoord - hulpwerkwoord - persoonlijk voornaamwoord - bezittelijk voornaamwoord - voorzetsel - bijwoord

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

De afkortingen
zn = zelfstandig naamwoord (mens, dier, ding, gevoel, etc)
zn-e = zelfstandig naamwoord eigennaam (Obie, Ronerborg, Pepsi, Drenthe)
lw = lidwoord (de, het, een)
blw = bepaald lidwoord (de, het)
olw = onbepaald lidwoord (een)
bn = bijvoeglijk naamwoord (rode, grote, lieve, grappige)
st.bn = stoffelijk bijvoeglijk naamwoord (houten, gouden, bakstenen, zijde)
zww = zelfstandig werkwoord
hww = hulpwerkwoord
kww = koppelwerkwoord
pers.vnw = persoonlijk voornaamwoord
bez.vnw = bezittelijk voornaamwoord
vz = voorzetsel
bw = bijwoord
aanw.vnw = aanwijzend voornaamwoord
vr.vnw = vragend voornaamwoord

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw)
Bekijk de volgende zin:
Deze rugzak vind ik veel handiger dan dat koffertje.

In deze zin zijn Deze en dat aanwijzende voornaamwoorden. Een aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw) wijst meestal een mens, een dier of een ding aan: deze jongen, dat varken, die jurk. 

Dit zijn de aanwijzende voornaamwoorden: 
deze, die, dat, dit, zulk(e), zo’n, dergelijk(e), zelf, hetzelfde, dezelfde.

Een aanwijzend voornaamwoord kan voor een zelfstandig naamwoord staan, maar het kan ook alleen staan. In dat geval kun je het zelfstandig naamwoord er soms achter denken.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw)
Voorbeelden:
- Joran kreeg een horloge voor zijn verjaardag en hij vond dat (horloge) het mooiste cadeau.

Een aanwijzend voornaamwoord kan ook terugwijzen naar een hele zin:
- Mijn broer draait altijd keiharde muziek op zijn kamer. Ik vind dat (mijn broer altijd keiharde muziek op zijn kamer draait) erg storend.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw)
Let op:

De woorden dat en die behoren tot meerdere woordsoorten; dat en die zijn alleen aanwijzend voornaamwoord als je ze kunt vervangen door dit en deze.

Woorden die een plaats of een richting aangeven (daar, daarheen, daarover, daarlangs), zijn geen aanwijzend voornaamwoord.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Vragend voornaamwoord (vr.vnw)
Bekijk de zinnen: Welke sport beoefen jij? Wat vind je daar zo leuk aan?

In deze zinnen zijn Welke en Wat vragende voornaamwoorden. 

Er zijn er vier: wie, wat, welk(e), wat voor (een). 

Een vragend voornaamwoord (vr.vnw) staat aan het begin van een vraag of aan het begin van een zin die gemaakt is van een vraag.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Vragend voornaamwoord (vr.vnw)
Wie gaat er mee naar de film? Boy vraagt aan zijn vrienden wie er meegaat naar de film.
Wat heb je vandaag gedaan? Rex informeert bij Roos wat zij vandaag gedaan heeft.

Let op: de woorden wie en wat zijn geen vragend voornaamwoord als ze terugwijzen naar een eerder genoemd woord: Dat meisje op wie jij verliefd bent, woont bij mij in de straat. Alles wat hij aanraakte, veranderde in goud.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Welk aanw.vnw of vr.vnw past?
Ik houd niet van … grapjes, omdat … discriminerend zijn.

Slide 10 - Open question

This item has no instructions

Welk aanw.vnw of vr.vnw past?
Hé, Job heeft net … trui als jij. Ja hoor, het is precies ….

Slide 11 - Open question

This item has no instructions

kww / zww / hww
kww: zijn - worden - blijven - blijken - lijken - schijnen
-> bij 1 werkwoord altijd kww
-> bij meer werkwoorden in de zin vaak de laatste. De rest is dan hww.
zww: zegt wat iets of iemand doet
-> 1 werkwoord en geen kww? Dan zww.
-> bij meer werkwoorden in de zin vaak de laatste. De rest is dan hww.
hww: helpen in een zin met meer werkwoorden
-> alleen bij meer werkwoorden, dan altijd de persoonsvorm en dus de eerste werkwoorden van de zin.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Het gevonden fossiel blijkt het skelet van een reuzenpinguïn te zijn.
Zijn de werkwoorden: zww/kww/hww?

Slide 13 - Open question

This item has no instructions

De ketting werd door een eerlijke vinder gevonden.
Zijn de werkwoorden: zww/kww/hww?

Slide 14 - Open question

This item has no instructions

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

This item has no instructions