Lente in beeld: nieuwe woorden leren

Lente in beeld: nieuwe woorden leren

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2PraktijkonderwijsLeerjaar 1-5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Lente in beeld: nieuwe woorden leren

Goedemorgen!

Hoe gaat het met jou?


Hoe laat is het nu?


Noem één leuk iets dat jij gisteren hebt gedaan.

Wat weet je al over de lente?

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je belangrijke woorden over de lente begrijpen en gebruiken.

Wat is een seizoen?

Een seizoen is een deel van het jaar met een eigen weer en natuur. De lente is één van de vier seizoenen.

Lente en voorjaar

Lente en voorjaar betekenen hetzelfde. In deze tijd groeien knopjes aan bomen en planten.

Bloemen in de lente

In de lente bloeien bloemen zoals tulpen en krokussen. Welke bloemen ken jij?

Dieren in de lente

In de lente worden veel jonge dieren geboren: lammetjes, biggetjes, kalfjes, veulens en kuikens.

Vogels in de lente

Ook vogels zijn in de lente druk bezig. Zij bouwen een nest, waarin zij hun eieren kunnen leggen en uitbroeden. De baby's van vogels noemen we kuikens.

Woordenschat oefenen

a) Knopjes

b) Veulen

c) Voorjaar

Wat betekent het woord?

Schrijf je antwoorden op. Bespreek daarna in de klas.

Jouw antwoord

Wat is een kenmerk van de lente?

A

Dagen worden langer

B

Bomen verliezen hun bladeren

C

Bloemen beginnen te bloeien

D

Het sneeuwt vaak

Wat zijn knopjes?

A

Beginnende bloemen of bladeren

B

Nieuwe scheuten op een tak

C

Dode takken

D

Volwassen bloemen

Wat is een lammetje?

A

Een volwassen schaap

B

Een soort vogel

C

Baby van een schaap

D

Baby van een koe

Hoe heet dit insect?

A

De vlieg

B

De wesp

C

De mug

D

De bij

Wat is het voorjaar?

A

De lente

B

De periode na de winter

C

De periode voor de winter

D

De herfst

Wat doen vogels in het voorjaar?

A

Broeden in hun nest

B

Vliegen naar de maan

C

Eten appels

D

Zwemmen in de zee

Wat verzamelen bijen?

A

Honing en nectar

B

Gras en takken

C

Zand en stenen

D

Bladeren en schors

Hoe noem je dit dier?

A

Het kalf

B

De veulen

C

Het lam

D

De kuiken

Waar bouwen vogels hun nest?

A

In de lucht

B

In bomen en struiken

C

Op de grond

D

Onder water

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.