4H Les 2

  • Herhalen: imperfecto/indefinido
  • Caperucita Roja
wk 1 -  les 2

1 / 17
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

  • Herhalen: imperfecto/indefinido
  • Caperucita Roja
wk 1 -  les 2

Slide 1 - Slide

Perfecto/indefinido/imperfecto
Verleden tijden

Perfecto/indefinido/imperfecto

Slide 2 - Slide

Verleden tijden
- De perfecto / indefinido / imperfecto zijn allemaal verleden tijden

- Zie voor de vervoegingen het extra boekje

- De volgende dia's gaan over het gebruik van de verschillende tijden. Want wanneer moet je nu welke tijd gaan gebruiken?

Slide 3 - Slide

Signaalwoorden (manier 1)

Slide 4 - Slide

Perfecto (signaalwoorden)
Perfecto
Hoy
Este verano/año/mes/semana
Estas vacaciones
Nunca
Todavía no
Alguna vez, muchas veces
Una vez, dos veces
Leer de vertaling van de signaalwoorden!
IN DEZE TIJDEN ZIT JE NOG STEEDS!

Slide 5 - Slide

Indefinido (signaalwoorden)
Indefinido
ayer, anteayer, anoche
la semana pasada
el año/mes/verano pasado
el otro día, el lunes, el martes
hace 1,2,3 día(s) /semana(s)
en 1946
el 14 de febrero
en marzo, abril, mayo

Leer de vertaling van de signaalwoorden!
DEZE TIJDEN HEBBEN EEN DUIDELIJK BEGIN EN EIND!

Slide 6 - Slide

Imperfecto (signaalwoorden)
Imperfecto
antes
entonces
de pequeño/niño/joven
siempre
a menudo
todos los días/martes/años
cada día/semana/miércoles
mientras
normalmente
en esa epóca
...porque...
(cuando)

Leer de vertaling van de signaalwoorden!
DEZE TIJDEN HEBBEN GEEN DUIDELIJK BEGIN EN EIND!

Slide 7 - Slide

Vraag stellen (manier 2)

Slide 8 - Slide

Naast dat je aan signaalwoorden kunt zien welke tijd je moet gebruiken, kun je ook de volgende vraag stellen:

Was het er al? = imperfecto (achtergrond)
Gebeurde het? = indefinido (acties)


Let op: 'cuando' kan zowel imperfecto als indefinido zijn. 

Slide 9 - Slide

1. Anoche (ver, tú) ________ una película.

Slide 10 - Open question

2. Cuando era niño, (jugar, yo) ________ con mis amigos en el parque.

Slide 11 - Open question

3. El año pasado (viajar, nosotros) ________ a Francia.

Slide 12 - Open question

4. Ayer (hablar, ella) ________ con su madre por teléfono.

Slide 13 - Open question

5. Mientras yo estudiaba para el examen, mi hermana (mirar) ________ televisión.

Slide 14 - Open question

6. El mes pasado (comprar, nosotros) ________ un coche nuevo.

Slide 15 - Open question

7. El verano pasado (nadar, yo) ________ en el mar todos los días.

Slide 16 - Open question

  • Caperucita Roja (op papier)
      
Lees de opdracht goed door! Je moet verschillende dingen doen: vertalen, kiezen, vervoegen en markeren.
¡A trabajar!
Huiswerk
- voca 5.2 (N-S / S-N)
- Caperucita Roja af

Slide 17 - Slide