Wiederholung Grammatik

1 / 62
next
Slide 1: Slide
DuitsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 62 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Wat is het verschil in
betekenis tussen "sollen"
en "müssen"?

Slide 3 - Mind map

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Welke uitgangen hebben de modale werkwoorden?

Slide 7 - Open question

Uitgangen modale werkwoorden

1e en 3e persoon enkelvoud zijn hetzelfde --> GEEN e of GEEN t
andere uitgangen zoals zwakke werkwoorden ((FE)ESTTENTEN)

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Vul het juiste werkwoord aan en vervoeg correct: Ich ___ nicht bis 2 Uhr ausgehen
A
durfe
B
darf
C
muss
D
mag

Slide 15 - Quiz

Vul het juiste werkwoord aan en vervoeg correct: Ich ___ dieses Fleisch nicht.
A
kann
B
muss
C
mag
D
möchte

Slide 16 - Quiz

Vul het juiste werkwoord aan en vervoeg correct: Hier ___ man rechts fahren.
A
soll
B
solle
C
muss
D
müss

Slide 17 - Quiz

Wat gebeurt er in de
verleden tijd met de
modale ww?

Slide 18 - Mind map

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Zet het juiste ww in de verleden tijd:
Ich ____ unbedingt den Zug erreichen
A
musste
B
sollte
C
musst
D
sollt

Slide 23 - Quiz

Zet het juiste ww in de verleden tijd:
Der Direktor sagte, Ihr ____ ruhig da warten.
A
konnte
B
sollte
C
konntet
D
solltet

Slide 24 - Quiz

Vertaal de zin:
Wij zouden graag daarover praten
A
Wir wollen gerne darüber reden
B
Wir möchten gerne darüber reden
C
Wir können gerne darüber reden
D
Wir sollen gerne darüber reden

Slide 25 - Quiz

Vertaal de zin:
Weet jij, of hij mee mag komen?
A
Weißst du, ob er mitkommen kann?
B
Weißt du, ob er mitkommen darf?
C
Weißst du, ob er mitkommen soll?
D
Weißst du, ob er mitkommen sollt?

Slide 26 - Quiz

Vertaal de zin:
Vroeger wou ik graag piloot worden
A
Damals möchte ich gerne Pilot bekommen
B
Damals wollte ich gerne Pilot bekommen
C
Damals wollte ich gerne Pilot werden
D
Damals möchte ich gerne Pilot werden

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Slide

Welke stappen moet je volgen om te weten in welke naamval iets moet staan?

Slide 29 - Open question

Slide 30 - Slide

Welke persoonlijke
voornaamwoorden
veranderen NIET
in 4e naamval?

Slide 31 - Mind map

Slide 32 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden staan OP ZICHZELF, er volgt GEEN zelfstandig naamwoord (<-> bij een bezittelijk voornaamwoord wel)
bv  Dat is voor mij (Das ist für mich - pers vnw)
Dat is mijn boek (bezittelijk voornaamwoord - wordt verbogen volgens geslacht van "boek" -Das ist mein Buch)

Slide 33 - Slide

Vertaal de zin:
U heeft dat voor haar gedaan
A
Sie haben das für ihr gemacht
B
Sie haben das für sie gemacht
C
Sie hat das für ihr gemacht
D
Sie hat das für sie gemacht

Slide 34 - Quiz

Vul aan:
(hij)___ zeigt ___ (u) Ihr Zimmer
A
Er zeigt Sie Ihr Zimmer
B
Er zeigt Ihr Ihr Zimmer
C
Er zeigt ihr Ihr Zimmer
D
Er zeigt Ihnen Ihr Zimmer

Slide 35 - Quiz

Vul aan:
Das Formular, füllen __ (u) __ (het) bitte aus
A
Füllen Sie es bitte aus
B
Füllen Sie ihm bitte aus
C
Füllen Sie ihn bitte aus
D
Füllen Sie ihnen bitte aus

Slide 36 - Quiz

Hoe wordt het bepaald lidwoord de/het vertaald in het Duits?

Slide 37 - Open question

Welke vorm van de/het
in het Duits verandert
in de 4e naamval?

Slide 38 - Mind map

Welke vorm van de /het
verandert in het Duits in
de derde naamval?

Slide 39 - Mind map

Slide 40 - Slide

Welke woorden worden
net zoals de "der"-Gruppe
vervoegd?

Slide 41 - Mind map

Slide 42 - Slide

Uitgewerkt vb met dies-

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Slide

Wat klopt?
Ich gehe mit ___ Kinder_ in __ Stadt
A
Ich gehe mit den Kinder in die Stadt
B
Ich gehe mit den Kinder in der Stadt
C
Ich gehe mit den Kindern in der Stadt
D
Ich gehe mit den Kindern in die Stadt

Slide 45 - Quiz

Wat klopt?
Ich habe (jij)____ dies__ Gebäude gezeigt?
A
dich - diesen
B
dich - dieses
C
dir - dieses
D
dir -diesen

Slide 46 - Quiz

Hoe vertaal je "een/ geen" in het Duits?

Slide 47 - Open question

Slide 48 - Slide

Welke woorden worden
zoals de "ein"-groep
vervoegd?

Slide 49 - Mind map

Slide 50 - Slide

Slide 51 - Slide

Slide 52 - Slide

vertaal en vervoeg:
Ich habe __(geen) Idee (v), ob das __ (mijn) Buch ist
A
kein - meine
B
keine - meine
C
kein-mein
D
keine- mein

Slide 53 - Quiz

Vertaal en vervoeg correct:
(onze)__ Reiseführer habe ich (een)___ Witz (m) erzählt
A
unseren - ein
B
unseren - einen
C
unserem - ein
D
unserem - einen

Slide 54 - Quiz

Geef voorbeelden van
vaste voorzetsels
met 3e naamval?

Slide 55 - Mind map

Slide 56 - Slide

Geef voorbeelden van
vaste voorzetsels met
4e naamval?

Slide 57 - Mind map

Slide 58 - Slide

Vertaal - let op alles (groep, geslacht, vz): Leen haar aub de auto!
A
Leihe sie bitte das Auto!
B
Leihe sie bitte den Auto!
C
Leihe ihr bitte das Auto!
D
Leihe ihr bitte den Auto!

Slide 59 - Quiz

Vertaal - let op alles (groep, geslacht, vz): Geef jij mij de kamersleutels?
A
Gibst du mich die Zimmerschlüssel?
B
Gibst du mir die Zimmerschlüssel?
C
Gibst dich mir die Zimmerschlüssel?
D
Gibst dich mich die Zimmerschlüssel?

Slide 60 - Quiz

Vertaal - let op alles (groep, geslacht, vz): Wil je hen alles laten zien?
A
Willst du euch alles sehen lassen?
B
Willst du sie alles sehen lassen?
C
Willst du ihnen alles sehen lassen?
D
Willst du ihr alles sehen lassen?

Slide 61 - Quiz

Vertaal - let op alles (groep, geslacht, vz): De mensen hebben hun tent laten staan
A
Die Leute haben ihr Zelt stehen lassen
B
Die Leute haben ihren Zelt stehen lassen
C
Die Leute haben euren Zelt stehen lassen
D
Die Leute haben euer Zelt stehen lassen

Slide 62 - Quiz