Troisième cours 30 septembre

1 / 37
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Planning et buts
Aan het eind van dit lesuur....
Heb ik het huiswerk nagekeken
Ben ik voorbereid voor de toets van volgende week

Slide 2 - Slide

Klassenregels
We werken rustig samen in de klas.
We respecteren elkaar. We lachen elkaar niet uit en respecteren elkaars mening en antwoorden.
Tijdens het maken van de opdrachten zijn we rustig bezig en gaan we niet kletsen met klasgenoten.
We doen actief mee met de les, we leggen de telefoons dan ook in de telefoontas.
We steken onze vinger op als we iets willen zeggen en/of vragen.
We geven het aan onze docente aan wanneer ons iets dwars zit.
We laten elkaar uitpraten.
We eten en drinken niet in het klaslokaal (behalve in de pauzes).

Slide 3 - Slide

Het huiswerk bespreken
Exercices 16b et 18b
Vocabulaire A et B
Grammaire C
Phrases clés D

Slide 4 - Slide

Vocab
Vocabulaire A

Slide 5 - Slide

Vocab
Vocabulaire B

Slide 6 - Slide

Het bijvoeglijk naamwoord
allereerst: Hoe zie je of een woord vrouwelijk, mannelijk of meervoud is? 

lidwoord
bezit.vnw
betekenis
pers.vnw
m.ev
le, un
mon,ton,son
bv de jongen
il (hij)
Floris
v.ev
la, une
ma,ta,sa
bv het meisje
elle (zij)
Chantal
m.mv
les, des
mes, tes, ses, nos, vos, leurs
kijk naar het enkelvoud.
ils (zij.m.mv)
Chris et Sam
v.mv
les, des
mes, tes,ses, nos, vos, leurs
kijk naar het enkelvoud. 
elles (zij, v.mv)
Sofie et Kim

Slide 7 - Slide

LET OP
Bij het meervoud is niet te zien aan de lidwoorden en/of bezittelijk voornaamwoorden of het mannelijk meervoud of vrouwelijk meervoud is. 
Wat moet je doen?
1. Kijken naar de betekenis van het enkelvoud
2. De enkelvoud vorm ook leren. Dan staat er vaak le/la bij. 
3. Kijken naar de woordenlijst als er een (m) staat is het mannelijk en als er een (v) staat is het vrouwelijk

Slide 8 - Slide

mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
-
-e
meervoud
-s
-es
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
petit
petite
meervoud
petits
petites
Het bijvoeglijk naamwoord

Slide 9 - Slide

Het bijvoeglijke naamwoord
Man. enk
man.
meerv
vrouw.
enk
vrouw.
meerv
regel. 
-
-s
-e
-es
klein
petit
petits
petite
petites
rood
rouge
rouges
rouge
rouges
grijs
gris
gris
grise
grises

Slide 10 - Slide

Onregelmatige vormen
man.ev
man.mv
vrouw.ev
vrouw.mv
mooi
beau
beaux
belle
belles
nieuw
nouveau
nouveaux
nouvelle
nouvelles 
oud
vieux
vieux
vieille
vieilles

Slide 11 - Slide

Let op....
Als een bijvoeglijk naamwoord eindigt op een -e, dan geen extra e bij vrouwelijke woorden.
Le pantalon est rouge. La jupe est rouge.

Eindigt een bijvoeglijk naamwoord op een -s? Dan krijg je geen extra -s in het meervoud.
Le cabriolet est gris. Les cabriolets sont gris.

Slide 12 - Slide

Vul de juiste vorm van 'petit' in:
Elle est ...........
A
petit
B
petite
C
petites
D
petits

Slide 13 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'petit' in:
Les filles sont.......
A
petit
B
petite
C
petites
D
petits

Slide 14 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'petit' in:
Le garçon est ......
A
petit
B
petite
C
petites
D
petits

Slide 15 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'petit' in:
Les garçons sont ......
A
petit
B
petite
C
petites
D
petits

Slide 16 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'bleu' in:
La robe est.........
A
bleu
B
bleus
C
bleue
D
bleues

Slide 17 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'bleu' in:
Les robes sont.........
A
bleu
B
bleus
C
bleue
D
bleues

Slide 18 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'bleu' in:
Le pantalon est........
A
bleu
B
bleus
C
bleue
D
bleues

Slide 19 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'bleu' in:
Les pantalon sont........
A
bleu
B
bleus
C
bleue
D
bleues

Slide 20 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'rouge' in:
Sa bouche est.........
A
rouge
B
rougee
C
rouges

Slide 21 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'gris' in:
Les pantalons sont ......
A
gris
B
griss
C
grise
D
grises

Slide 22 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'beau' in:
La fille est.............
A
beau
B
beaue
C
belle
D
belles

Slide 23 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'beau' in:
Les garçons sont.........
A
beau
B
beaux
C
belle
D
belles

Slide 24 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'nouveau' in:
L'ordinateur (m) est ...........
A
nouvelle
B
nouvelles
C
nouveaux
D
nouveau

Slide 25 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'nouveau' in:
Les ordinateurs (m)sont ...........
A
nouvelle
B
nouvelles
C
nouveaux
D
nouveau

Slide 26 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'vieux' in:
La chaise est ..........
A
vieux
B
vieille
C
vieilles

Slide 27 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'vieux' in:
Les livres (m) sont..........
A
vieux
B
vieille
C
vieilles
D
vieuxx

Slide 28 - Quiz

Koppel de antwoorden aan de juiste vragen. 
Phrases-clés D
Qui est Jérémy Ménez?
Il a les yeux verts?
Il est grand?
Il porte des lunettes?
Non, il a les yeux bleus
Non, il ne porte pas de lunettes
C'est un footballeur
Non, il est de taille moyenne

Slide 29 - Drag question

Koppel de vertalingen aan de juiste vragen. 
Phrases-clés D
Qui est Jérémy Ménez?
Il a les yeux verts?
Il est grand?
Il porte des lunettes?
Wie is Jérémy Ménez?
Is hij groot?
Heeft hij groene ogen?
Draagt hij een bril? 

Slide 30 - Drag question

Exercice 16d
1. Qui est Amel Brent?
C'est une chanteuse.
2. Elle a les yeux verts?
Non, elle a les yeux bruns.
3. Elle est grande? 
Non, elle est petite.
4. Elle porte des lunettes?
Non, elle ne porte pas de lunettes.

Slide 31 - Slide

Qui est ton idole?
C'est .........

Slide 32 - Mind map

Il/ elle a quêl age?
Il/elle a ...... ans

Slide 33 - Mind map

Il/elle est grand(e)?

Slide 34 - Mind map

Il/elle porte des lunettes?

Slide 35 - Mind map

Les vêtements...
Il/elle porte.......

Slide 36 - Mind map

Devoirs: Apprendre pour le SO
 SO Chapitre 1

 Vocabulaire A + Vocabulaire B (bladzijde 38 en 39 Werkboek B (!!!) )
 Bron C grammaire bijvoeglijk voornaamwoord ( bladzijde 64 TB)
 Bron D Phrases clés (bladzijde 65 TB)
WB= Werkboek, TB=tekstboek
LET OP het is een korte toets, dus gewoon je boeken en laptop meenemen. 








Slide 37 - Slide