de normale zin - hoofdzin
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan gaat morgen naar Rotterdam.
Nadia fietst elke dag naar school.
Maria eet om 3 uur een appel.
Jasim tekent altijd dieren.
de normale zin - hoofdzin
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan gaat morgen naar Rotterdam.
Nadia fietst elke dag naar school.
Maria eet om 3 uur een appel.
Jasim tekent altijd dieren.
Wat is de goede volgorde in een normale zin?
naar huis
1
2
3
4
om 3 uur
De leerlingen
gaan
een zin met 2 werkwoorden
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan is gisteren naar Rotterdam geweest.
Nadia moet elke dag naar school fietsen.
Maria heeft om 3 uur een appel gegeten.
Jasim heeft vandaag mooie dieren getekend.
verbum
1
2
3
En een vraagzin ??
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Is Ivan gisteren naar Rotterdam geweest?
Moet Nadia elke dag naar school fietsen?
Heeft Maria om 3 uur een appel gegeten?
Heeft Jasim vandaag mooie dieren getekend?
verbum
Inversie
Je kunt het ook anders doen:
Bijvoorbeeld:
Morgen koop ik even snel sinaasappels op de markt.
Ik koop morgen sinaasappels in de supermarkt.
Dan leg je meer nadruk op een bepaald onderdeel.
Het onderwerp en het werkwoord wisselen van plaats!
:
Uitleg oefening
Hierna zie je steeds stukjes van zinnen.
Sleep de stukjes naar de goede plek.
Onderin zie je rode vakjes.
Daar moet de zin in de goede volgorde komen te staan.
Zet de onderdelen in de goede volgorde
Mijn vader
met zijn fiets
naar het werk
gaat
Zet de onderdelen in de goede volgorde
Leest
jouw moeder
ook
zo graag
een boek?
Zet de onderdelen in de goede volgorde
Je
hebt
deze zin
heel goed
opgelost!
Samengestelde zin
Een samengestelde zin heeft twee persoonsvormen > Ik ben blij, want ze zon schijnt.
- bestaat uit een zin met twee hoofdzinnen > Ik ga naar huis, want ik ben ziek.
Bij twee hoofdzinnen, zijn beide zinnen even belangrijk.
of
- bestaat uit een zin met een hoofdzin en een bijzin > ik ga met de fiets, als jij de auto neemt.
Bij een hoofdzin en een bijzin, is de hoofdzin belangrijker dan de bijzin.
heeft vaak een conjunctie om de twee zinnen aan elkaar te plakken.
Conjuncties (+hoofdzin)
1. Een voegwoord dat twee hoofdzinnen verbindt. --> ME(D)OW = maar, en, dus, of, want
De zinsbouw blijft hetzelfde: onderwerp - werkwoord, onderwerp -werkwoord.
Zij praten niet, maar zij schreeuwen.
Hij eet en hij drinkt tegelijk.
Ik kan hardlopen dus ik ben fit.
Wij lopen of wij fietsen naar huis.
Zij slaapt, want zij is moe.
.
Conjuncties (+bijzin)
2. Een voegwoord dat een hoofdzin en een bijzin verbindt:
Bijvoorbeeld: omdat, doordat, daarom, als, toen, enz.
De zinsbouw verandert dan!
a. het werkwoord verplaats naar het einde van de zin:
Hij belt de dokter, omdat hij heel veel last van hoofdpijn heeft.
Maak de volgende zinnen af: Ik vind Nederlands een heel moeilijke taal, omdat...
Dit is het slechtste restaurant ter wereld, want...
Het is niet slim om te eten, als...
De kinderen denken dat ...