Financieel Duurzame Productiemiddelen

Module Begroot Financiën
Exploitatiebegroting
IWO/Brutowinst/Omzet
Personeelskosten
Rentekosten
Duurzame Productie Middelen



1 / 14
next
Slide 1: Slide
BedrijfseconomieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 14 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Module Begroot Financiën
Exploitatiebegroting
IWO/Brutowinst/Omzet
Personeelskosten
Rentekosten
Duurzame Productie Middelen



Slide 1 - Slide

Toets bespreking
Helemaal goed:
Opdracht 3: Berekening van rentekosten.
Opdracht 4: Berekening van personeelskosten.

Minder goed:
Bruto-/netto omzet/IWO.
BTW.

Slide 2 - Slide

Opdracht 1
Bruto omzet = 645.000
21% BTW
Brutowinstmarge 38%
Netto omzet
=bruto/121%X100%
100%
BTW
=bruto/121%X21%
21%
Bruto omzet
645.000
121%
Netto omzet
533.057,85
100%
IWO
=netto/100%X62%
62%
Brutowinst
=netto/100%X38%
38%

Slide 3 - Slide

Opdracht 2
Netto inkoopprijs = €12
21% BTW
Brutowinstmarge 56%
Netto inkoop
12
44%
Brutowinst
=Inkoop/44%X56%
56%
Netto verkoop
=Inkoop/44%X100%
100%
BTW
=netto/100%X21%
21%
Bruto verkoop
=Netto + BTW
121%

Slide 4 - Slide

Exploitatie begroting
KOSTEN
OPBRENGSTEN
Inkoopwaarde Omzet
Opbrengsten
Personeelskosten
Rentekosten
Afschrijvingen
Verkoopkosten
Communicatiekosten
Energiekosten
Overige kosten
Nettowinst
Nettoverlies

Slide 5 - Slide

Deze les:
1. Wat zijn duurzame productiemiddelen?
2. Welke twee vormen van levensduur onderscheiden we?
3. Hoe berekenen we afschrijvingen?
4. Wat zijn complementaire kosten?
 

Slide 6 - Slide

H5. Duurzame productiemiddelen

Slide 7 - Slide

Duurzame productiemiddelen
  • Gaan langer dan 1 jaar mee in een bedrijf, bijvoorbeeld computers.
  • Worden minder waard door gebruik; Dit noem je waardevermindering.
  • De kosten die hieruit voortkomen zijn afschrijvingskosten.
  • Kosten komen op de exploitatierekening.

Slide 8 - Slide

Levensduur
  • Economische levensduur: Hoe lang een voorwerp maximaal mee kan gaan binnen een bedrijf. Het stopt daar waar het duurder is om weer een nieuw voorwerp ervoor te kopen.
  • Technische levensduur: De tijd totdat een voorwerp echt niet meer te gebruiken is, dus totdat het voorwerp kapot of versleten is.

Slide 9 - Slide

Welke kosten?
  • Afschrijvingskosten: Waardedaling door gebruik.
  • Rentekosten: Je schaft immers iets aan met:
       -Vreemd vermogen en dus rente betalen;
       -Eigen vermogen en dus loop je rente mis.
  • Complementaire kosten: Bijkomende kosten zoals onderhoud.

Slide 10 - Slide

Hoe berekenen?
1. Lineair: Gelijke kosten elk jaar
(Aanschafwaarde - restwaarde) / economische levensduur

Bijvoorbeeld auto: 
Aanschaf € 30.000, restwaarde € 6.000, levensduur = 8 jaar.
(30.000-6.000)/8 = 3.000

Slide 11 - Slide

Hoe berekenen?
2. Vast percentage boekwaarde: Kosten dalen elk jaar

Bijvoorbeeld auto: 
Aanschaf € 30.000, rentepercentage is 30%
Jaar 1: 0,3 x 30.000 =  9.000 Boekwaarde = 30.000-9.000=21.000
Jaar 2: 0,3 x 21.000 = 6.300 Boekwaarde = 21.000-6.300=14.700
..

Slide 12 - Slide

Complementaire kosten
Bijvoorbeeld: 
Aanschaf machine is €10.000, restwaarde is €1.000
Economische levensduur is 6 jaar, lineair afschrijven. Rente 5%.
Complementaire kosten jaar 1: €300, erna jaarlijks €100 hoger.
Jaar      Afschrijving  Rente  Compl. Kosten  TOTAAL
Jaar 1   1.500                500      300                          2.300
Jaar 2   1.500               500       400                          2.400               

Slide 13 - Slide

Opdrachten
Opdrachten H5.            

Slide 14 - Slide