toets


TOETS
Seksuele vl.
Klas 4
A
ja
1 / 24
next
Slide 1: Quiz
seksuele voorlichtingPraktijkonderwijsLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson


TOETS
Seksuele vl.
Klas 4
A
ja

Slide 1 - Quiz

. Iedereen werkt zelfstandig.
. Alleen werken.
. Stil zijn.
. Iedereen werkt met de laptop.
. Werk geconcentreerd.
A
Ja

Slide 2 - Quiz


1. Wat is een vertrouwenspersoon?
A
Waarmee jij je mentorgesprekken voert.
B
Waarmee jij kunt praten wanneer jij je niet veilig voelt.
C
Waarmee jij kunt praten wanneer jij je veilig voelt.
D
De decaan van de school.

Slide 3 - Quiz


2. A. Zoenen, strelen, knuffelen hoort bij vrijen.
B. Vingeren, aftrekken en orale seks hoort bij
vrijen.
A
Bewering A is goed. Bewering B is niet goed.
B
Bewering A is niet goed. Bewering B is goed.
C
Bewering A is niet goed. Bewering B is niet goed.
D
Bewering A is goed. Bewering B is goed.

Slide 4 - Quiz


3. Wat zijn een seksuele identiteiten.

A
Gelovig zijn en homoseksueel.
B
Biseksueel en jongen.
C
Transgender en meisje.
D
Queer en heteroseksueel.

Slide 5 - Quiz

4. Maak de zin af:
"Een vrouw in 1x in de ..... weken ongesteld"

Let op!!! Voer een getal in.

Slide 6 - Open question


5. Wat is geen vorm van discriminatie?

A
Anders behandelen door zijn huidskleur.
B
Geen toegang verlenen aan een bepaalde bevolkingsgroep.
C
Iemand in het openbaar beledigen, omdat hij homo is.
D
Een klasgenoot pesten, omdat je haar niet leuk vindt.

Slide 7 - Quiz


6. Op welke goede manier kun jij je grens
aangeven?
Kies het beste antwoord.
A
Nee zeggen.
B
Nee zeggen, wegduwen.
C
Nee zeggen, wegduwen, toestemming geven.
D
Nee zeggen, wegduwen, toestemming geven, wegdraaien.

Slide 8 - Quiz


7. Wat is de weg die sperma neemt wanneer deze
op zoek is naar een eicel?
A
Baarmoeder -> Vagina -> Eileiders
B
Vagina -> Eileiders -> Baarmoeder
C
Vagina -> Baarmoeder -> Eileiders
D
Eileiders -> Baarmoeder -> Vagina

Slide 9 - Quiz

8. Wat is goed wanneer je zwanger bent en wat is minder goed?
GOED
Minder goed

Slide 10 - Drag question


9. Wat is een bevruchting?
A
Het eitje van de vrouw gaat in de baarmoederwand.
B
Het eitje van de vrouw smelt samen met een spermazaadje in de vagina.
C
Het spermazaadje gaat in de baarmoederwand.
D
Het eitje van de vrouw smelt samen met een spermazaadje in de eileider.

Slide 11 - Quiz

10. Wat betekent wanneer een zwangerschapstest negatief is?
A
Je bent zwanger.
B
De test moet opnieuw.
C
Je bent niet zwanger.
D
De test is mislukt. Koop een nieuwe test.

Slide 12 - Quiz

Adoptie
Draag-
moederschap
IVF
Spermadonor
Ik heb 2 moeders, mijn vader ken ik niet
Ik ben ver weg geboren, ik woon nu in Nederland
Wij wilde graag een kind. Gelukkig wilde Ria ons helpen
Ze hebben ons in het ziekenhuis geholpen om zwanger te worden.

Slide 13 - Drag question


12. Waar moet je rekening mee houden wanneer je
zwanger wilt worden of zwanger bent?
A
Geen alcohol drinken. Foliumzuur nemen.
B
Geen seks meer hebben. Niet roken.
C
Weinig bewegen. Geen alcohol drinken.
D
Minder gaan werken. Niet roken.

Slide 14 - Quiz

13. Hoeveel maanden is een vrouw zwanger wanneer alles normaal verloop?

Let op!!! Voer een getal in.

Slide 15 - Open question

14. Wat helpt wel en niet voor de anticonceptie?
WEL
NIET
De pil
Terugtrekken
Spiraaltje
Condoom
Periodieke onthouding
Prikpil

Slide 16 - Drag question


15. Maak de onderstaande zin af:

"Als je niet veilig vrijt, kun je ............... of ................"
A
..... ongesteld worden .... ..... zwanger worden.
B
..... menstruatie krijgen .... ..... een soa krijgen.
C
..... zwanger worden .... ..... een soa krijgen.
D
..... onvruchtbaar worden .... ..... zwanger worden.

Slide 17 - Quiz


16. Welke middelen kun je gebruiken om niet
zwanger te worden?

A
Anticonceptiestaafje. Spiraaltje. Prikpil.
B
Anticonceptiering. Condoom. Maandverband.
C
Anticonceptiestaafje. Tampon. Condoom.
D
Spiraaltje. Maandverband. Condoom.

Slide 18 - Quiz


17. Wat is een morning-afterpil?

A
Een pil die je vlak voordat je seks hebt moet gebruiken, zodat je niet zwanger wordt.
B
Een pil die je tijdens de seks moet gebruiken, zodat je zwanger wordt.
C
Een pil die je tijdens de seks moet gebruiken, zodat je niet zwanger wordt.
D
Een pil die je snel na de seks moet gebruiken, zodat je niet zwanger wordt.

Slide 19 - Quiz

18. Wat betekent "anticonceptie"?
A
Zorgen dat je zwanger wordt.
B
Zorgen dat je niet zwanger wordt.
C
Hormonen innemen, zodat je meer vruchtbaar wordt.
D
Hormonen innemen, zodat je niet vruchtbaar wordt.

Slide 20 - Quiz

19. Welk condoom moet je gebruiken
A
2020 - 01 - 31
B
2021 - 01 - 31
C
2022 - 01 -31
D
Geen van deze 3.

Slide 21 - Quiz

20. Sleep op de juiste volgorde. Sleep de nummers naar de plaatjes.
1
2
3
4
5
6
7
8

Slide 22 - Drag question

21. Wat is waar?
A
Van anale seks kun je niet zwanger raken.
B
Als je onregelmatig ongesteld bent, kun je niet zwanger raken.
C
Bij de eerste keer seks kun je niet zwanger raken.
D
Als je vrijt zonder voorbehoedsmiddel, word je altijd zwanger.

Slide 23 - Quiz


22. Om welke reden gebruik je een condoom?
Kies het beste antwoord.
A
Om niet zwanger te raken. Om duidelijk te maken dat je geen seks wil.
B
Om een soa te krijgen. Om niet zwanger te raken.
C
Om geen soa te krijgen. Om niet zwanger te raken.
D
Om een soa te krijgen. Om duidelijk te maken dat je graag seks wil.

Slide 24 - Quiz