1. gaan, komen, leren, werken, wonen, zijn, hebben, heten, kloppen, spellen, helpen, invullen, kunnen, zullen, appen, houden van, ontmoeten, sporten, willen
2. doen, kopen, maken, praten, kijken, mogen, nemen, pinnen, zeggen, kennen, vragen, zien, denken, fietsen, liggen, weten
3. lopen, worden, drinken, eruitzien, geven, horen, lachen, slapen, zitten, beginnen, begrijpen, bellen, blijven, luisteren, uitnodigen, feliciteren, klinken, krijgen.
4. vinden, staan, moeten, meenemen, lijken, afvallen, bewegen, gelijk hebben, leven, pakken, snappen, wegen, afhalen, bestellen, bezorgen, proeven, reserveren, smaken.