This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 15 min
Items in this lesson
Rekenen met procenten
Slide 1 - Slide
This item has no instructions
Doelen
Je weet hoe je met een rekenmachine percentages uitrekent.
Je weet hoe je met behulp van breuken percentages uit je hoofd uitrekent.
Je weet hoe je met behulp van decimale getallen percentages uit je hoofd uitrekent.
Slide 2 - Slide
This item has no instructions
Slide 3 - Video
This item has no instructions
Procenten
Procent betekent 'per honderd'. Procenten geven een gedeelte van een totaal aan. Je noemt dit gedeelte percentage.
1% is gelijk aan één honderdste deel of '1 van de 100'. 100%is het geheel of '100 van de 100'.
Slide 4 - Slide
This item has no instructions
Er is 8% kans dat het gaat regenen. Hoeveel kans is er dat het droog blijft?
Slide 5 - Open question
Het geheel is 100%. Als er 8% kans is op het ene, blijft er 100% - 8% = 92% kans over voor het andere.
Mees koopt een spijkerbroek van € 100,-. Hij krijgt 30% korting. Hoeveel euro korting is dat?
Slide 6 - Open question
1% is één van de honderd. 30% is dus dertig van de honderd. Er gaat dus dertig van de honderd af.
Met de rekenmachine
Op je rekenmachine zit een knop met het procentteken %. Daarmee kun je percentages berekenen.
Bijvoorbeeld: Hoeveel is 25% van € 80? Toets in: 80 x 25% Het antwoord is 20.
Slide 7 - Slide
Let op! De volgorde is belangrijk. Je moet eerst het hele getal intoetsen, en vervolgens vermenigvuldigen met het percentage. Je kunt het niet andersom intoetsen (25% x 80), dan werkt de rekenmachine niet
De som is: 55% van 60 =
Wat toets je in op je rekenmachine?
A
60 : 55 =
B
55% x 60 =
C
60% x 55 =
D
60 x 55% =
Slide 8 - Quiz
B lijkt een goede optie, maar die werkt niet op je rekenmachine!
De som is: 35% van 70 =
Wat toets je in op je rekenmachine?
Slide 9 - Open question
Typ het antwoord zonder spaties. Let op de volgorde.
Uit je hoofd
Weet je nog? Procenten en breuken kan je naar elkaar omrekenen. Gebruik dit om percentages te berekenen.
Bijvoorbeeld 50% is hetzelfde als dus 50% is hetzelfde als delen door 2
21
Slide 10 - Slide
This item has no instructions
Bijvoorbeeld
Wat is 12,5% van 40?
12,5% is hetzelfde als
Dus 12,5% van 40 = 40 : 8 = 5
81
Slide 11 - Slide
Voor dit soort sommen is het dus handig om het schema uit de vorige les (deel van geheel) uit je hoofd te kennen.
20% is hetzelfde als delen door ...?
Slide 12 - Open question
20% is gelijk aan de breuk één vijfde.
Reken uit je hoofd uit: 25% van 400 =
Slide 13 - Open question
25% is gelijk aan delen door 4.
Moment van rust
Slide 14 - Slide
Is alles duidelijk? Of heb je nog vragen? Die kun je in de volgende dia opschrijven.