bs 3.3 Kruisingen

Planning
  • begrippen die je moest leren
  • Uitleg §3.3 - kruisingen
  • Twee voorbeelden klassikaal
  • Opdrachten stencil
1 / 40
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Planning
  • begrippen die je moest leren
  • Uitleg §3.3 - kruisingen
  • Twee voorbeelden klassikaal
  • Opdrachten stencil

Slide 1 - Slide

begrippen die je moet leren!!
Genotype: De informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een organisme; alle genen in een celkern samen.
Fenotype: Alle eigenschappen van een organisme die tot uiting komen.
Gen: De stukjes DNA die samen de informatie voor een erfelijke eigenschap bevatten.
Allel: Variant van een gen; elk gen bestaat uit twee allelen.

Heterozygoot: Twee verschillende allelen voor een bepaalde eigenschap.
Homozygoot: Twee gelijke allelen voor een bepaalde eigenschap.
Dominant allel: Allel dat altijd tot uiting komt in het uiterlijk. Wordt aangegeven met een Hoofdletter.
Recessief allel: Allel dat alleen tot uiting komt als er geen dominant allel is. Wordt aangegeven met een kleine letter.
Intermediair fenotype: Fenotype waarin beide allelen even sterk tot uiting komen. 

Slide 2 - Slide

Genotype - Allelenpaar
Erfelijke eigenschappen aangegeven met een letter
Fenotype
de beschrijving van de eigenschap
Heterozygoot
 de 2 Allelen in het genotype zijn ongelijk
Homozygoot
 de 2 Allelen in het genotype zijn gelijk
Dominant
Allel dat altijd tot uiting komt in het uiterlijk. Wordt aangegeven met Hoofdletter
Recessief
Allel dat alleen tot uiting komt als er geen dominant allel is. Wordt aangegeven met een kleine letter
intermediair fenotype
Fenotype waarin beide allelen even sterk tot uiting komen 

Begrippen bij 3.2 (herhaling)

Slide 3 - Slide

Thema 3       BS 3 Kruisingen
bs. 3.3 Kruisingen

Slide 4 - Slide

Leerdoelen
3.3.1 Je kunt een kruisingsschema opstellen.
3.3.2 Je kunt bij een gegeven kruising genotypen en fenotypen van ouders en/of nakomelingen afleiden.



Ouders geven erfelijke eigenschappen door aan hun nakomelingen. Welk genotype de nakomeling krijgt, hangt af van het toeval. Toch kun je de kans op een bepaalde eigenschap voorspellen.

Slide 5 - Slide

Parents (P)
Twee organismen die met elkaar nakomelingen krijgen. (gekruist worden)
generatie (F1)
De nakomelingen van hetzelfde ouderpaar.
generatie (F2)
De nakomelingen uit de F1-generatie
kruisingsschema     
Tabel met alle mogelijke combinaties van allelen bij een kruising.
Begrippen bij 3.3 Kruisingen

Slide 6 - Slide

Kruisingen
Bij geslachtgelijke voortplanting:
genen van vader en moeder worden gekruist
Er ontstaan nieuwe genotypen/fenotypen bij de nakomelingen



Slide 7 - Slide

allelenparen
Homozygoot = Twee zelfde eigenschappen.
Heterozygoot = Twee verschillende eigenschappen. 

a = gen voor blond haar
A = gen voor bruin haar
a        a                  A       a
schrijfwijze:          aa                         Aa
Welk mogelijk genotype is hier niet afgebeeld?

Wat zal het fenotype hiervan zijn?

Slide 8 - Slide

Intermediair fenotype
Let op de schrijfwijze! 

ArAr = homozygoot - rood fenotype
AwA= homozygoot - wit fenotype

ArAw = Heterozygoot - roze fenotype

Slide 9 - Slide

Intermediair fenotype

Slide 10 - Slide

Kruisingsschema
  • om te voorspellen welk fenotype de nakomelingen van een kruising krijgen
  • in een kruisingsschema zet je alle mogelijke combinaties van allelen bij één kruising.

Slide 11 - Slide

Leerdoelen
3.3.1 Je kunt een kruisingsschema opstellen.
3.3.2 Je kunt bij een gegeven kruising genotypen en fenotypen van ouders en/of nakomelingen afleiden.



Ouders geven erfelijke eigenschappen door aan hun nakomelingen. Welk genotype de nakomeling krijgt, hangt af van het toeval. Toch kun je de kans op een bepaalde eigenschap voorspellen.

Slide 12 - Slide

Stappenplan
  1.  Wat is het  genotypen van de P:generatie; (beide ouders -->AA, Aa of aa)
  2. Welke allelen kunnen dan in de geslachtscellen voorkomen
  3. Maak een kruisingsschema
  4. Stel vast welke genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F1) 
  5. De vraag nog niet beantwoord? -> begin bij stap 1
  6. Stel vast welk genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F2)

Slide 13 - Slide

?
Hoe kan het dat twee zwarte honden een witte pup kunnen krijgen?

Slide 14 - Slide

Kruising tussen 2 zwarte(A) labradors
beiden zijn heterozygoot voor de vachtkleur
  1. genotype Parents (P) --> 

  2.  ---->

  3.  ---->



  4. Stel vast welke genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F1) 




Slide 15 - Slide

Kruising tussen 2 zwarte(A) labradors
beiden zijn heterozygoot voor de vachtkleur
  1. genotype Parents (P) --> 

  2.  ---->

  3.  ---->



  4. Stel vast welke genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F1) 




 Aa        Aa

Slide 16 - Slide

Men kruist een konijn met vlekken (AA), met een ongevlekt (aa) konijn. Hoe is het genotype in F2
  1. Bedenk welk fenotypen en genotypen de ouders hebben
  2. Bedenk welke allelen in de geslachtscellen voor kunnen komen (A of a of allebei?)
  3. Maak een kruisingsschema
  4. Stel vast welke genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F1) 
  5. De vraag nog niet beantwoord? -> begin bij stap 1
  6. Stel vast welk genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F2)

Slide 17 - Slide

Kruising tussen konijn met vlekken AA en 
een ongevlekt konijn aa
  1. genotype Parents (P) --> AA x  aa

  2.  ---->

  3.  ---->



  4. Stel vast welke genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F1) 




Slide 18 - Slide

Hoe is het genotype in F2
  1. genotype Parents (P) --> Aa x  Aa

  2.  ---->

  3.  ---->



  4. Stel vast welke genotype en fenotype de nakomelingen hebben (F2) 




Slide 19 - Slide

Verhoudingen 
Genotypen                          
P: Aa x aa                                                   Genotypen verhouding:  .... : ...
                                                                       Fenotypen verhouding:  .... : ... 
    

P: Aa x Aa                                                 Genotypen verhouding: .. : .. : ..                                                                      
A
a
a
Aa
aa
a
Aa
aa
A
a
A
AA
Aa
a
Aa
aa
Fenotype verhouding: .. : ..

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Video

Intermediaire kruising

Slide 22 - Slide

Intermediaire kruising
Beide genen zijn even sterk. Geen dominant gen.
Onder de nakomelingen bevinden zich 'mengvormen' van de genotypen.

Slide 23 - Slide

Uitwerking kruising
P:          AzAz  x AwAw

F1:                 AzAw      (100 %)                         
          AzAw   x    AzAw


F2:   AzAz  = 25 %     (zwart)
         AzAw = 50 %     (grijs)
         AwAw = 25 %    (wit)

Slide 24 - Slide

Opdracht
Maak de opdrachten 1 tm 10 van het stencil / bestand 


Slide 25 - Slide

 bs 3.3 Kruisingen (2)
3.3.1 Je kunt een kruisingsschema opstellen.
3.3.2 Je kunt bij een gegeven kruising genotypen en fenotypen van ouders en/of nakomelingen afleiden.


Slide 26 - Slide

2 gelijke allelen (genen) voor een eigenschap noemen we:
A
Homozygoot
B
Heterozygoot
C
Dominant
D
Recessief

Slide 27 - Quiz

Als uit een rode en een witte plant, roze planten ontstaan, dan is de overerving?
A
intermediair
B
recessief
C
homozygoot
D
heterozygoot

Slide 28 - Quiz

Aa is
A
Homozygoot recessief
B
Homozygoot Dominant
C
Heterozygoot
D
Heterozygoot Dominant

Slide 29 - Quiz

AA is
A
homozygoot recessief
B
homozygoot dominant
C
heterozygoot

Slide 30 - Quiz

aa is:
A
Homozygoot
B
Homozygoot recessief
C
Homozygoot dominant
D
Heterozygoot

Slide 31 - Quiz

Hoe noemen we de variant van een gen dat altijd tot uiting komt in het uiterlijk als het aanwezig is?
A
Homozygoot
B
Heterozygoot
C
Recessief
D
Dominant

Slide 32 - Quiz

Een recessieve eigenschap is een:
A
Eigenschap die snel tot uiting komt
B
Eigenschap die tot uiting komt als hij homozygoot voorkomt
C
Eigenschap die tot uiting komt als hij heterozygoot voorkomt

Slide 33 - Quiz

Huiswerk was: maak de opdrachten 1 tm 10 van het stencil / bestand 


Slide 34 - Slide

Bij pasgeboren baby wordt wat bloed afgenomen door middel van de zogenaamde hielprik. Uit onderzoek van het bloed blijkt het kind een erfelijke stofwisselingsziekte heeft, die P.K.U. heet. Het zal een aangepast dieet moeten volgen.  Geen van beide ouders heeft de verschijnselen van deze ziekte. De ouders willen nog graag een kind.

Hoe groot is de kans dat dit tweede kind ook P.K.U. zal hebben?

Vraagstuk

Slide 35 - Slide

Bij konijnen is de vachtkleur zwart (A) dominant over wit (a).
Een homozygoot zwart konijn (AA) wordt enkele malen gekruist met een wit (aa) konijn.
Hoe groot is de kans op witte konijntjes (aa)?
A
100%
B
75%
C
50%
D
0%

Slide 36 - Quiz

Bij konijnen is de vachtkleur zwart (A) dominant over wit (a). Een homozygoot zwart konijn (AA) wordt enkele malen gekruist met een wit konijn (aa).
Wat is het genotype van de konijntjes uit de F1?
A
Aa
B
AA
C
aa

Slide 37 - Quiz

De konijnen in de F1 hebben allemaal genotype Aa.
De konijntjes planten zich onderling voor. Werk de kruising uit.

Slide 38 - Open question

Uit de kruising komt:
A a
A AA Aa
a Aa aa
Wat is de verhouding in de genotypen? En wat in de fenotypen?

Slide 39 - Open question

Aan de slag
Boek, laptop en etui op tafel. 
Leerdoel voor deze les noteren

Aan de slag 30 minuten fluisterend overleg
timer
30:00

Slide 40 - Slide