TaalCompleet A1 1.14

Vraagwoorden 

Je leert wanneer je welk vraagwoord moet gebruiken

1 / 43
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Vraagwoorden 

Je leert wanneer je welk vraagwoord moet gebruiken

Vraagteken


Een vraagteken zet je aan het eind van een vragende zin.


Wie ben jij?

Waar kom je vandaan? 

Wat eet je vandaag? 

Filmpje


Wie ben jij? 

Wie zit naast jou? 

Wie heeft een bril? 


-> vraagt naar mensen of dieren

Wat is jouw naam?

Wat is je woonplaats?

Wat is dit? 


-> vraagt naar dingen of activiteit

Waar woon je? 

Waar kom je vandaan? 

Waar is het station?


-> vraagt naar plaats

Wie is jouw docent?

A

Marjon

B

De pen

C


D


Wie woont in Arnhem?

A

half drie

B

Kees

C


D


Wat is dit?

A

Een puntenslijper

B

Yousef

C


D


Wat doe je?

A

gisteren

B

een boek lezen

C


D


Waar woont Max?

A

In Velp

B

10 keer

C


D


Waar ben je?

A

op school

B

het potlood

C


D


Waar is het station?

A

Om 6 uur

B

In het centrum

C

Omdat hij ziek is

D


Waar ga je naar toe?

A

naar huis

B

gisteren

C

omdat ik honger heb

D


________ moeten we doen?

A

Wie

B

Wat

C


D


________ is boos?

A

Wie

B

Wat

C


D


____ moet ik schrijven in mijn schrift?

A

Wie

B

Wat

C


D


_______ doe je?

A

Wie

B

Wat

C


D


______ is moe?

A

Wie

B

Wanneer

C


D


_______ woon jij? In Arnhem.

A

Wie

B

Waar

C

Wat

D


_______ is het vakantie? Over vijf weken.

A

Wie

B

Waar

C

Wat

D


_______ is de docent? Zij is op school.

A

Wie

B

Waar

C

Wat

D


____ drinkt de thee?

A

Wie

B

Wat

C


D


Maak zinnen met het vraagwoord.

Wie _____ ____ ?

Wat _____ ____ ?

Waar _____ ____ ?

Wanneer heb je les? 

Wanneer heb je weekend? 

Wanneer ben je in Nederland gekomen?


-> vraagt naar tijd, datum, dag

Waarom leer je Nederlands?

Waarom ga je weg?

Waarom ben je te laat?


-> vraagt naar een reden

Hoeveel mannen zitten in de klas?

Hoeveel kost jouw telefoon?

Hoeveel mensen uit Eritrea ken jij?  


-> vraagt naar een getal (1, 2, 3, ...)

Wanneer ga je naar school?

A

op maandag

B

met Zoë

C


D


Wanneer heb jij een afspraak?

A

In Den Bosch

B

Op 25 januari

C


D


Hoe heet jij?

A

Drie

B

Lotte

C


D


Hoeveel pennen heb jij?

A

vier

B

rood

C


D


Wanneer is het weekend?

A

in Arnhem

B

op zaterdag en zondag

C

mijn broer

D


Hoeveel dagen zitten in een week?

A

gisteren

B

7

C

Nina

D


Wanneer ga je naar huis?

A

Nederland

B

Omdat ik moe ben

C

Om half vier

D


Hoeveel zussen heb jij?

A

Nederland

B

Omdat ik moe ben

C

twee

D


_______ ben je thuis? Om 12 uur.

A

Wanneer

B

Waar

C

Hoeveel

D


Maak zinnen met het vraagwoord.

Wanneer _____ ____ ?

Waarom ____ ____?

Hoe _____ ____ ?