Vraagwoorden
Je leert wanneer je welk vraagwoord moet gebruiken
Vraagwoorden
Je leert wanneer je welk vraagwoord moet gebruiken
Vraagteken
Een vraagteken zet je aan het eind van een vragende zin.
Wie ben jij?
Waar kom je vandaan?
Wat eet je vandaag?
Filmpje
Wie ben jij?
Wie zit naast jou?
Wie heeft een bril?
-> vraagt naar mensen of dieren
Wat is jouw naam?
Wat is je woonplaats?
Wat is dit?
-> vraagt naar dingen of activiteit
Waar woon je?
Waar kom je vandaan?
Waar is het station?
-> vraagt naar plaats
Wie is jouw docent?
Marjon
De pen
Wie woont in Arnhem?
half drie
Kees
Wat is dit?
Een puntenslijper
Yousef
Wat doe je?
gisteren
een boek lezen
Waar woont Max?
In Velp
10 keer
Waar ben je?
op school
het potlood
Waar is het station?
Om 6 uur
In het centrum
Omdat hij ziek is
Waar ga je naar toe?
naar huis
gisteren
omdat ik honger heb
________ moeten we doen?
Wie
Wat
________ is boos?
Wie
Wat
____ moet ik schrijven in mijn schrift?
Wie
Wat
_______ doe je?
Wie
Wat
______ is moe?
Wie
Wanneer
_______ woon jij? In Arnhem.
Wie
Waar
Wat
_______ is het vakantie? Over vijf weken.
Wie
Waar
Wat
_______ is de docent? Zij is op school.
Wie
Waar
Wat
____ drinkt de thee?
Wie
Wat
Maak zinnen met het vraagwoord.
Wie _____ ____ ?
Wat _____ ____ ?
Waar _____ ____ ?
Wanneer heb je les?
Wanneer heb je weekend?
Wanneer ben je in Nederland gekomen?
-> vraagt naar tijd, datum, dag
Waarom leer je Nederlands?
Waarom ga je weg?
Waarom ben je te laat?
-> vraagt naar een reden
Hoeveel mannen zitten in de klas?
Hoeveel kost jouw telefoon?
Hoeveel mensen uit Eritrea ken jij?
-> vraagt naar een getal (1, 2, 3, ...)
Wanneer ga je naar school?
op maandag
met Zoë
Wanneer heb jij een afspraak?
In Den Bosch
Op 25 januari
Hoe heet jij?
Drie
Lotte
Hoeveel pennen heb jij?
vier
rood
Wanneer is het weekend?
in Arnhem
op zaterdag en zondag
mijn broer
Hoeveel dagen zitten in een week?
gisteren
7
Nina
Wanneer ga je naar huis?
Nederland
Omdat ik moe ben
Om half vier
Hoeveel zussen heb jij?
Nederland
Omdat ik moe ben
twee
_______ ben je thuis? Om 12 uur.
Wanneer
Waar
Hoeveel
Maak zinnen met het vraagwoord.
Wanneer _____ ____ ?
Waarom ____ ____?
Hoe _____ ____ ?