2. Ontstaan van de filosofie
2. Ontstaan van de filosofie
Vorige les
Kunnen uitleggen wat de woorden filosofie en wijsbegeerte betekenen, wat filosoferen inhoudt, en drie kenmerken gebruiken om filosofische vragen te formuleren en te onderscheiden van niet-filosofische vragen
Opdracht
Maak oefening 1 op je werkblad
Opdracht
Je kunt vertellen waarom de start van de filosofie een breuk met het verleden betekent.
Je kunt uitleggen hoe logisch denken verschilt van mythisch denken
Je kunt uitleggen wat met Substantie wordt bedoeld en waarom die oerstof/ archè centraal stond in het denken van de meeste presocraten.
Je kunt kort de ordenende principes van Thales, Anaximander, Pythagoras, Herakleitos, Parmenides, Empedokles en Demokritos weergeven.
Leerdoelen H2 Het ontstaan van de filosofie
Moeder der wetenschappen, dochter der theologie
Natuurlijk dachten mensen al veel langer dan 400 v.C. na over leven en dood, de ziel, de natuur.
Meestal kwamen antwoorden op die vragen samen in een scheppingsverhaal en pantheon (pre monotheïsme)
Scheppingsverhalen en pantheons
Het ontstaan van de wereld
Licht en donker
Leven en dood
Seizoenen
Het weer, stormen, vulkanen, bliksem
Goede oogsten/ slechte oogsten
Gezondheid en ziekte
De mens, oorlog, machtsverschillen
Goed en slecht
Wat verklaart een pantheon?
Oké, geen goden, maar dan?
Hoe verklaren we dan hoe het komt dat er IETS is en niet NIETS?
Hoe verklaren we het ontstaan van het universum?
Hoe verklaren we dat alles steeds verandert? En beweging?
Hoe verklaren we dat we die verandering ervaren? Waarom geen totale ongedifferentieerde chaos?
Hoe ga je dit soort vragen beantwoorden als er geen wetenschappen bestaan, en de enige kennis die je hebt, is de kennis van je voorouders (de mythen) en je eigen directe ervaring?
logos
Twee breuken met het verleden:
Zelf de rede gebruiken en niet op autoriteit vertrouwen
Elkaar blijven bevragen met de rede en dus geen autoriteit worden.
Resultaat: wat wij nu kritisch denken noemen.
Bij logisch denken gaat het om 2 belangrijke pijlers:
Zijn de aannames (premissen) waar?
Volgt de conclusie noodzakelijk uit de premissen?
Aan de slag
Lees p. 7 van je werkboek rustig door
Maak de opdracht op p. 8 van je werkboek.
Je kunt vertellen waarom de start van de filosofie een breuk met het verleden betekent.
Je kunt uitleggen hoe logisch denken verschilt van mythisch denken
Je kunt uitleggen wat met Substantie wordt bedoeld en waarom die oerstof/ archè centraal stond in het denken van de meeste presocraten.
Je kunt kort de ordenende principes van Thales, Anaximander, Pythagoras, Herakleitos, Parmenides, Empedokles en Demokritos weergeven.
Leerdoelen H2 Het ontstaan van de filosofie
Vooronderstellingen
Wat neem jij allemaal aan?
Leerdoelen 3. Vooronderstellingen
Je kunt uitleggen wat een vooronderstelling is en wat het verschil met hypotheses en vooroordelen is.
Je kunt voorbeelden geven van vooronderstellingen
Je kunt vooronderstellingen vinden in argumenten en definities
Je kunt uitleggen waarom het kunnen vinden en gebruiken van vooronderstellingen een belangrijke filosofische vaardigheid is.
Vooronderstellingen
Vooronderstellingen = aanname, assumptie, veronderstelling, hypothese, gedachte, presuppositie.
Verschil met hypotheses: vooronderstellingen zijn impliciet
Verschil met vooroordelen: zijn wel gevoelig voor (tegen)bewijs
Opdracht
Teken een tafel
Wat is straf?
Wat is de vooronderstellingen in de zin: "wij komen op voor de hardwerkende Nederlander".
Alle Nederlanders werken hard
Alleen Nederlanders werken hard
Niet alle Nederlanders werken hard
Er bestaan hardwerkende Nederlanders
Ben je nu alweer je spullen vergeten?
Je hebt geen spullen bij je
Je bent eerder ook spullen vergeten
Je hebt verkeerde spullen bij je
Je vergeet elke les je spullen
Waar ging jij op vakantie?
Jij gaat altijd op vakantie
Vakanties bestaan
Jij gaat nog op vakantie
Jij bleef thuis
Aan de slag
Lees p. 11 rustig door
Maak de opdrachten op p. 12
Argumenteren en drogredenen
Standpunt
Argument
Ondersteuning
Tegenargument
Let op de Vooronderstellingen!
Lees p. 13 rustig door.
Maak de opdrachten op p. 14 en 15