2. ontstaan van de filosofie


2. Ontstaan van de filosofie

1 / 28
next
Slide 1: Slide
New lesson editorFilosofieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min
Report this lesson

Items in this lesson


2. Ontstaan van de filosofie

Vorige les

  1. Kunnen uitleggen wat de woorden filosofie en wijsbegeerte betekenen, wat filosoferen inhoudt, en drie kenmerken gebruiken om filosofische vragen te formuleren en te onderscheiden van niet-filosofische vragen

Opdracht

Maak oefening 1 op je werkblad

Opdracht

  • Je kunt vertellen waarom de start van de filosofie een breuk met het verleden betekent.

  • Je kunt uitleggen hoe logisch denken verschilt van mythisch denken

  • Je kunt uitleggen wat met Substantie wordt bedoeld en waarom die oerstof/ archè centraal stond in het denken van de meeste presocraten.

  • Je kunt kort de ordenende principes van Thales, Anaximander, Pythagoras, Herakleitos, Parmenides, Empedokles en Demokritos weergeven.


Leerdoelen H2 Het ontstaan van de filosofie

Moeder der wetenschappen, dochter der theologie

  • Natuurlijk dachten mensen al veel langer dan 400 v.C. na over leven en dood, de ziel, de natuur.

  • Meestal kwamen antwoorden op die vragen samen in een scheppingsverhaal en pantheon (pre monotheïsme)



Scheppingsverhalen en pantheons


  • Het ontstaan van de wereld

  • Licht en donker

  • Leven en dood

  • Seizoenen

  • Het weer, stormen, vulkanen, bliksem

  • Goede oogsten/ slechte oogsten

  • Gezondheid en ziekte

  • De mens, oorlog, machtsverschillen

  • Goed en slecht

Wat verklaart een pantheon?

Oké, geen goden, maar dan?

  • Hoe verklaren we dan hoe het komt dat er IETS is en niet NIETS?

  • Hoe verklaren we het ontstaan van het universum?

  • Hoe verklaren we dat alles steeds verandert? En beweging?

  • Hoe verklaren we dat we die verandering ervaren? Waarom geen totale ongedifferentieerde chaos?

  • Hoe ga je dit soort vragen beantwoorden als er geen wetenschappen bestaan, en de enige kennis die je hebt, is de kennis van je voorouders (de mythen) en je eigen directe ervaring?


logos

  • Twee breuken met het verleden:

    • Zelf de rede gebruiken en niet op autoriteit vertrouwen

    • Elkaar blijven bevragen met de rede en dus geen autoriteit worden.

  • Resultaat: wat wij nu kritisch denken noemen.

  • Bij logisch denken gaat het om 2 belangrijke pijlers:

    • Zijn de aannames (premissen) waar?

    • Volgt de conclusie noodzakelijk uit de premissen?

Aan de slag

  • Lees p. 7 van je werkboek rustig door

  • Maak de opdracht op p. 8 van je werkboek.

  • Je kunt vertellen waarom de start van de filosofie een breuk met het verleden betekent.

  • Je kunt uitleggen hoe logisch denken verschilt van mythisch denken

  • Je kunt uitleggen wat met Substantie wordt bedoeld en waarom die oerstof/ archè centraal stond in het denken van de meeste presocraten.

  • Je kunt kort de ordenende principes van Thales, Anaximander, Pythagoras, Herakleitos, Parmenides, Empedokles en Demokritos weergeven.


Leerdoelen H2 Het ontstaan van de filosofie

  1. Vooronderstellingen

Wat neem jij allemaal aan?

Leerdoelen 3. Vooronderstellingen

  • Je kunt uitleggen wat een vooronderstelling is en wat het verschil met hypotheses en vooroordelen is.


  • Je kunt voorbeelden geven van vooronderstellingen


  • Je kunt vooronderstellingen vinden in argumenten en definities


  • Je kunt uitleggen waarom het kunnen vinden en gebruiken van vooronderstellingen een belangrijke filosofische vaardigheid is.

  1. Vooronderstellingen

Vooronderstellingen = aanname, assumptie, veronderstelling, hypothese, gedachte, presuppositie.

Verschil met hypotheses: vooronderstellingen zijn impliciet

Verschil met vooroordelen: zijn wel gevoelig voor (tegen)bewijs

Opdracht

Teken een tafel



Wat is straf?

Wat is de vooronderstellingen in de zin: "wij komen op voor de hardwerkende Nederlander".

A

Alle Nederlanders werken hard

B

Alleen Nederlanders werken hard

C

Niet alle Nederlanders werken hard

D

Er bestaan hardwerkende Nederlanders

Ben je nu alweer je spullen vergeten?

A

Je hebt geen spullen bij je

B

Je bent eerder ook spullen vergeten

C

Je hebt verkeerde spullen bij je

D

Je vergeet elke les je spullen

Waar ging jij op vakantie?

A

Jij gaat altijd op vakantie

B

Vakanties bestaan

C

Jij gaat nog op vakantie

D

Jij bleef thuis

Aan de slag

Lees p. 11 rustig door


Maak de opdrachten op p. 12

  1. Argumenteren en drogredenen

Standpunt


Argument


Ondersteuning


Tegenargument

Let op de Vooronderstellingen!

Lees p. 13 rustig door.


Maak de opdrachten op p. 14 en 15