VT Ouderenzorg MV week 4 - Ziekten van het zenuwstelsel (CVA en TIA)

VT Ouderen MV

Ziekten van het zenuwstelsel

  • CVA
  • TIA
1 / 27
next
Slide 1: Slide
PathologieMBOStudiejaar 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

VT Ouderen MV

Ziekten van het zenuwstelsel

  • CVA
  • TIA

Slide 1 - Slide

Hoofdleerdoelen 

1. De student beschrijft de ligging, bouw, functie en werking van het zenuwstelsel.
2. De student beschrijft de oorzaken, de gevolgen, de symptomen en de behandelingen van 
     ziekten van het zenuwstelsel, in het specifiek van:
     o CVA
     o TIA




Slide 2 - Slide

Subleerdoelen 
De student:
3. Geeft aan waarvoor de afkorting CVA staat en wat dit betekent.
4. Beschrijft wat er bij een CVA in de hersenen gebeurt .
5. Benoemt de andere benamingen voor CVA.
6. Geeft aan wat het verschil is tussen een hersenbloeding en een herseninfarct en hierbij de verschillende oorzaken benoemen.
7. Geeft aan welke vorm van beroerte het meest voor komt.
8. Geeft aan hoe je een CVA kunt herkennen.
9. Legt uit wat de FAST test is en waar deze voor staat.
10. Benoemt minimaal 5 risicofactoren voor een CVA.
11. Benoemt vier onderzoeken die worden gedaan om te onderzoeken of er sprake is van een beroerte en legt uit wat er wordt
      onderzocht.
12. Legt uit dat de problemen die ontstaan bij een beroerte afhankelijk zijn van de plaats (locatie) waar de beroerte optreedt.
13. Geeft voorbeelden van welke hersengebieden aangedaan kunnen zijn bij een CVA, en welke daaruit volgende problemen
       kenmerkend zijn voor die verschillende hersengebieden. 




Slide 3 - Slide

Subleerdoelen 
De student:
14. Benoemt minimaal 6 mogelijke symptomen van een CVA in de acute fase.
15. Benoemt zes verschillende lichamelijke gevolgen en legt uit hoe die kunnen voorkomen na een beroerte. 
     (verlamming, beperkte mobiliteit, gevoelsstoornissen, eetproblemen, vermoeidheid, hemianopsie).
16. Benoemt zes verschillende cognitieve gevolgen en legt uit hoe die kunnen voorkomen na een beroerte.
     (apraxie, afasie, concentratiestoornissen, oriëntatie en geheugenstoornissen, emotionele problemen,
      gedragsproblemen)
17. Legt uit waar de behandeling uit bestaat bij de acute fase van een beroerte.
18. Legt uit waar de behandeling uit bestaat bij de latere fase. (revalidatie en prevalentie)
19. Legt uit waar de revalidatie na een beroerte uit bestaat.
20. Legt uit waar de prevalentie na een beroerte uit bestaat.
21. Benoemt minimaal 2 complicaties van een CVA.
22. Geeft aan wat een TIA is.
23. Legt uit wat de oorzaak is van een TIA.
24. Legt uit waarom na een TIA de kans op een CVA groot is.
25. Benoemt de therapie van een TIA

Slide 4 - Slide

CVA en TIA
  • Wat is het verschil tussen hersenbloeding, herseninfarct en een TIA?
  • Hoe ontstaat het?
  • Hoe maak je onderscheid?

Slide 5 - Slide

Schade in de hersenen en symptomen

Slide 6 - Slide

Quiz
Er volgen nu 7 quizvragen 
Let op: je hebt beperkt de tijd om elke quizvraag te beantwoorden

Slide 7 - Slide

Wat is GEEN risicofactor voor het ontstaan van een CVA?
A
longafwijkingen
B
roken
C
ouderdom
D
diabetes

Slide 8 - Quiz

Stelling:
Paralyse is de benaming voor een gedeeltelijke verlamming.
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quiz

Hemianopsie is een visusstoornis waarbij de linker of de rechter kant van je beeld weg is.
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quiz

Een voorbeeld van een coördinatiestoornis bij een CVA/TIA is: slikstoornissen
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quiz

Welke van deze symptomen is NIET typisch voor een CVA/TIA?
A
hoofdpijn
B
verlamming
C
evenwichtsstoornis
D
misselijkheid

Slide 12 - Quiz

Symptomen die optreden bij een beroerte in het voorste deel van de grote hersenen, aan de rechter kant, zijn:
A
krachtsverlies in beide benen
B
krachtsverlies in beide benen en gedragsstoornissen.
C
krachtsverlies in 1 been en visusstoornissen.
D
krachtsverlies aan 1 been en gedragsstoornissen

Slide 13 - Quiz

Symptomen die optreden bij een beroerte in de kleine hersenen zijn:
A
Stoornis in gedrag, gehoor, motoriek en sensorische waarneming.
B
Stoornis in evenwicht, fijne motoriek, en onhandige en schokkerige bewegingen.
C
Stoornis in evenwicht, onhandige schokkerige bewegingen en visusstoornissen.
D
Stoornis in gedrag, evenwicht, gehoor en sensorische waarneming.

Slide 14 - Quiz

Slide 15 - Slide

timer
1:00
cognitieve problemen
bij CVA

Slide 16 - Mind map

Vragen over ontstaan en symptomen bij CVA en TIA? 

Slide 17 - Slide

CVA/TIA vaststellen
Oorzaken CVA/TIA opsporen
Diagnostiek
CVA/TIA 
vaststellen 
Oorzaken
CVA/TIA
opsporen
anamnese
lichamelijk onderzoek
hersenscan (= CT scan) 
bloedonderzoek
ECG
echo van de halsslagaderen

Slide 18 - Drag question

Quiz
Er volgen nu weer 3 quizvragen 
Let op: je hebt beperkt de tijd om elke quizvraag te beantwoorden

Slide 19 - Slide

Acute behandeling van een hersenbloeding bestaat uit het geven van bloedverdunners.
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quiz

Acute behandeling van een herseninfarct is:
A
toedienen van bloedverdunners
B
drainage via een drain door de schedel.
C
bloedpropje wegspuiten via bloedvat
D
operatie

Slide 21 - Quiz

Latere behandeling van een CVA bestaat uit revalidatie. Wat past hierbij?
A
mobiliteit en conditie training (fysiotherapeut)
B
hulpmiddelen voor blijvende uitval (ergotherapeut)
C
spraak en slikstoornissen (logopedist)
D
cognitieve problemen en depressie (psycholoog)

Slide 22 - Quiz

Complicaties
Wat zijn de 3 meest voorkomende complicaties na een CVA?

Slide 23 - Slide

Vragen
Zijn er nog vragen over de diagnostiek, behandeling en complicaties van CVA/TIA?

Slide 24 - Slide

Hoofdleerdoelen 

1. De student beschrijft de ligging, bouw, functie en werking van het zenuwstelsel.
2. De student beschrijft de oorzaken, de gevolgen, de symptomen en de behandelingen van 
     ziekten van het zenuwstelsel, in het specifiek van:
     o CVA
     o TIA




Slide 25 - Slide

Welk van onderstaande onderwerpen uit de leerdoelen is nog het minst duidelijk?
CVA/TIA oorzaken
CVA/TIA gevolgen
CVA/TIA symptomen
CVA/TIA behandeling
Geen van deze, alles is geheel duidelijk

Slide 26 - Poll

Afsluiting
Doen na de les:
  • opdrachten verder afmaken  (indien deze nog niet af zijn)
  • uitwerken leerdoelen uit de LOEP
  • voorbereiden voor de volgende les door:
         je in te lezen op de onderwerpen van week 3 m.b.v.:  
         Expertcollege modules
          Pathologie –  Acuut coronair syndroom
          Pathologie - Hartfalen
          Pathologie - Hypertensie
           Anatomie& Fysiologie - Circulatiestelsel
       

Slide 27 - Slide