Werken met NT2 Woordenboek

Werken met NT2 Woordenboek

1 / 46
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Werken met NT2 Woordenboek

NT2 Woordenboek

  • Bij Jij-toetsen en examens mag je een woordenboek gebruiken. 

  • Alleen NT2 woordenboeken zijn toegestaan. Deze zijn Nederlands - Nederlands.

  • Een woordenboek gebruiken is alleen handig, als je ze snel kan gebruiken. Vind jij het na deze les nog steeds moeilijk om snel woorden op te zoeken? Gebruik dan GEEN woordenboek op het examen


Les 1: Het goed en snel gebruiken van het woordenboek


Waarom is het belangrijk dat je het woordenboek goed kunt gebruiken?

Het is belangrijk dat je het alfabet goed kent. Schrijf het alfabet op. Probeer het helemaal alleen te doen


  • De woorden staan op alfabetische volgorde.

  • Deze volgorde helpt je de letter snel te vinden in het woordenboek.

  • Op de zijkant van het woordenboek staan de letters in de alfabetische volgorde.


Probeer maar eens hoe snel je het woordenboek bij de letters ‘L’ en ‘R’

kunt openslaan.


Luister naar de docent. Probeer zo snel mogelijk de letter in

je woordenboek op te zoeken

Hoe ging dit?


In het woordenboek staan alle woorden op alfabetische volgorde.

Je kijkt altijd eerst naar de eerste letter.

Zet de woorden in alfabetische volgorde: zomer | lopen | achter | kind | bomen jij | klappen | iedereen | computer | rok

Dit was les 1. Hoe ging het?

Les 2 Het opzoeken van de goede woordenboekvorm



Niet alle woorden staan apart in het woordenboek.


Er zijn verschillende vormen.


Woorden die bij elkaar horen staan bij één woordenboekvorm.


Die woordenboekvorm is eigenlijk de meest simpele vorm.


Je moet dus goed weten bij welke woordenboekvorm je moet zoeken.




huis - huizen: Het meervoud staat bij de woordenboekvorm huis.

hond - hondje: De verkleinvorm staat bij de woordenboekvorm hond.

warm - warmer - warmst: De vorm met -er of -st staat bij de woordenboekvorm warm.

aardig - onaardig: Laat het stukje on weg en kijk bij de woordenboekvorm

aardig

Bij welke woordenboekvorm 

horen deze woorden?

duidelijk

fijn

boom

café

interessant

fijner

cafés

oninteressant

bomen

onduidelijk

Zij is nog "liever" dan jouw oma. Opzoeken bij:


Het bezoek was heel "ongezellig". Opzoeken bij:

De jongen liep het "verst" van iedereen. Opzoeken bij:

Jij wilt dat "ongezellige" meisje niet zien. Opzoeken bij:

Werkwoordvormen

  • In het woordenboek staan veel werkwoorden.

  • Werkwoorden zijn heel belangrijk, omdat je ze in elke zin moet gebruiken.

  • In het Nederlands kan de vorm van het werkwoord veranderen.

  • De vorm is de manier waarop het werkwoord gebruikt wordt.


Ik kook - hij kookt - wij koken

Ik kookte - hij kookte - wij kookten

Ik heb gekookt - hij heeft gekookt - wij hebben

gekookt


koken is de woordenboekvorm


Ik speel - hij speelt - wij spelen

Ik speelde - hij speelde - wij speelden

Ik heb gespeeld - hij heeft gespeeld - wij

hebben gespeeld


spelen is de woordenboekvorm

Het opzoeken van werkwoorden.



Deze vormen staan natuurlijk niet allemaal in het woordenboek.


De woordenboekvorm is altijd het hele werkwoord, dus: koken en spelen

Bij welke woordenboekvorm 

horen deze woorden?

doen

rijden

willen

rennen

drinken

rijdt

rende

drinkt

gewild

gedaan

Wat is de woordenboekvorm?

Gelopen

Wat is de woordenboekvorm?
gebroken

Wat is de woordenboekvorm? speelden

Dit was les 2. Hoe ging het?

Les 3 Verschillende betekenissen



Er zijn veel woorden die twee of meer betekenissen hebben.

Het woord staat maar één keer in het woordenboek.

De verschillende betekenissen staan allemaal onder hetzelfde woord.

Er staan nummers bij elke betekenis.

Ik ga een rekening openen bij de bank. Betekenis:

Ik zit heerlijk op onze nieuwe bank. Betekenis:


Gebruik voor de volgende oefeningen het woordenboek.

Hoeveel betekenissen heeft het woord "spel"? Schrijf het aantal op.

Hoe vind je de goede betekenis?

- Lees rustig alle betekenissen door.

- Kijk dan heel goed naar de rest van de zin.

- Zoek welke van de betekenissen het best past bij de rest van de zin.

- Kijk ook naar de voorbeeldzinnen in het woordenboek.

- Controleer of je de betekenis van de zin nu goed begrijpt.


Er zijn ook woorden met meer betekenissen die wel meer dan één keer in het woordenboek staan.

Elke betekenis wordt apart bij het woord gezet.

Er staan dan kleine nummertjes achter elk woord.

De betekenis is anders, maar het is ook een ander soort woord.

Hoe vaak staat het woord "bot" in het woordenboek? Schrijf het aantal op.

Hoe vaak staat het woord "net" in het woordenboek? Schrijf het aantal op.

Hoe vind je de goede betekenis van dezelfde woorden?

- Kijk eerst hoeveel van dezelfde woorden er staan.

- Lees rustig alle betekenissen door.

- Kijk dan heel goed naar de rest van de zin.

- Zoek welke van de betekenissen het best past bij de rest van de zin.

- Kijk ook naar de voorbeeldzinnen in het woordenboek.

- Controleer of je de betekenis van de zin nu goed begrijpt.


Gebruik voor de volgende oefeningen het woordenboek.

De relatie met zijn schoonmoeder is erg "complex". Wat betekent "complex" hier?

Goed gedaan. Dit was de laatste les. Hoe ging het?

Wel of geen woordenboek....

Een woordenboek gebruiken tijdens het examen kan handig zijn, maar alleen als je snel woorden kan opzoeken.


Dus denk na; vond jij deze oefeningen moeilijk? Dan kan je je beter op andere dingen richten en geen woordenboek gebruiken.



Wel of geen woordenboek....

Vond jij deze oefeningen makkelijk? Dan zou je een woordenboek kunnen gebruiken. Het is wel belangrijk dat je daar nu al mee gaat oefenen. 


Je mag voor het examen alleen het Van Dale Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal gebruiken



Als laatste, wat vond je van deze les?