In een tekst let je op verwijswoorden. Naar
wie of
wat verwijst het verwijswoord?
Verwijswoorden zijn woorden als: hij, zij, het, die, er, daar en hun.
Verwijswoorden verwijzen naar iets of iemand in de tekst. Soms verwijst een verwijswoord naar groepje woorden of een zin. Op de plaats van het verwijswoord kun je altijd een ander woord invullen of een paar woorden. En soms zelfs dus een hele zin.
Erwin leest een een rekensom. Hij (Erwin) begrijpt de som niet. Hij (Erwin) heeft een onvoldoende voor de rekentoets. Dat (een onvoldoende voor zijn rekentoets) vindt hij ( Erwin) niet leuk.
Het is belangrijk dat je weet naar wie of wat de verwijswoorden verwijzen. Je begrijpt de tekst beter.