Theorie v/d Rijtaak 05

Hoe zien de herkenningstekens van een uitvaartstoet er uit?
A
Zwarte vlag met 3 witte horizontale strepen.
B
Zwarte vlag met 3 witte retroreflecterende strepen die loodrecht zijn geplaatst.
C
2 blauwe vlagen en het laatste voertuig met een groene vlag.
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Hoe zien de herkenningstekens van een uitvaartstoet er uit?
A
Zwarte vlag met 3 witte horizontale strepen.
B
Zwarte vlag met 3 witte retroreflecterende strepen die loodrecht zijn geplaatst.
C
2 blauwe vlagen en het laatste voertuig met een groene vlag.

Slide 1 - Quiz

Je ziet een uitvaartstoet.
Welke stelling is juist ten aanzien van deze stoet?
A
Deze moet een bus binnen de bebouwde kom in de gelegenheid stellen om weg te rijden.
B
Deze moet bij rood licht stoppen, ook als het eerste voertuig voorbij is.
C
Bij een kruispunt van gelijke rangorde moet deze de bestuurders van rechts voorrang verlenen wanneer het 1e voertuig is gepasseerd.

Slide 2 - Quiz

Wie moeten de voetganger die zich moeilijk voortbeweegt en de rijbaan oversteekt voor laten gaan?
A
Alle bestuurders.
B
Alle bestuurders, behalve militaire colonne en de uitvaartstoet.
C
Geen verplichting daar er geen gebruik wordt gemaakt van een V.OP.

Slide 3 - Quiz

In welk geval mag een weggebruiker een militaire colonne niet doorsnijden?
A
Binnen de bebouwde kom met rode verkeerslichten.
B
Buiten de bebouwde kom, op kruispunten van gelijke orde.
C
Beide.

Slide 4 - Quiz

Welke van onderstaande verkeersregels geldt voor een uitvaartstoet van motorvoertuigen?
A
Een bij een bushalte wegrijdende autobus binnen de bebouwde kom voor laten gaan.
B
Stoppen bij een geel of rood verkeerslicht ook al is het eerste motorvoertuig door groen gereden.
C
Voorrang verlenen aan bestuurders van rechts op een kruispunt van gelijke orde nadat het eerste motorvoertuig het kruispunt al heeft overgestoken.

Slide 5 - Quiz

Een buschauffeur van een touringcar gaat op reis met schoolgaande kinderen. Wie heeft de verplichting om een gordel te dragen?
A
De buschauffeur.
B
Buschauffeur en de kinderen.
C
De kinderen.

Slide 6 - Quiz

Een buschauffeur van een touringcar gaat op reis met schoolgaande kinderen. Een kind jonger dan 12 jaar en moeder dragen geen gordel. Wie is verantwoordelijk voor wat betreft het dragen van de autogordel?
A
Moeder is verantwoordelijk voor zichzelf en het voor het kind.
B
Moeder is verantwoordelijk voor zichzelf en de buschauffeur is verantwoordelijk voor het kind.
C
Moeder is verantwoordelijk voor zichzelf en het kind is ook voor zichzelf verantwoordelijk.

Slide 7 - Quiz

Een taxibus vervoert een aantal rolstoelers. Een van de rolstoelers is ouder dan 12 jaar en zijn rolstoel is niet deugdelijk bevestigd aan een constructie van het voertuig. Wie is juridisch verantwoordelijk?
A
De persoon in de rolstoel.
B
De taxichauffeur.
C
Beide personen.

Slide 8 - Quiz

Je hebt een personenauto met 3 zitplaatsen op de achterbank. Je hebt slechts 2 gordels voor de passagiers. Hoeveel personen mag je op de achterbank vervoeren?
A
3.
B
2.
C
4.

Slide 9 - Quiz

Je ziet een brommobiel met een open carrosserie. Wat is bepaald voor wat betreft het dragen van een helm?
A
Helm dragen is verplicht tenzij gordel aanwezig.
B
Geen draagplicht.
C
Helm en gordel verplicht i.v.m. open carrosserie.

Slide 10 - Quiz

U bent een bestuurder van een brombakfiets.
Moet u volgens RVV 1990 een helm dragen?
A
Nee, de bestuurder is uitgezonderd van de helmplicht.
B
Nee, dit is geen bromfiets.
C
Nee, dit is geen gesloten carrosserie.

Slide 11 - Quiz

Mag u volgens het RVV uw eigen kind van 13 jaar en 1,3 meter lang zonder kinderbeveiligingsmiddel in een personenauto vervoeren?
A
Ja, alleen achter in de auto.
B
Ja, alleen voor in de auto.
C
Nee.

Slide 12 - Quiz

Een personenauto wordt gesleept door een andere personenauto. Hoe groot moet de afstand zijn tussen deze voertuigen?
A
5 meter met een oranje vlag.
B
Maximaal 5 meter tussen de voertuigen.
C
Minimaal 5 meter tussen de voertuigen.

Slide 13 - Quiz

Een personenauto wordt gesleept door een andere personenauto. Wat is geregeld door wat betreft het voeren van waarschuwingslichten?
A
Voeren van waarschuwingslichten is verplicht.
B
Voeren van waarschuwingslichten is verboden.
C
Voeren van waarschuwingslichten is toegestaan.

Slide 14 - Quiz

Een persoon die zich moeilijk voortbeweegt wil de rijbaan oversteken, voor wie geldt volgens het RVV 1990, de verplichting om deze persoon voor te laten gaan?
A
Weggebruikers.
B
Bestuurders.
C
Bestuurders behalve bestuurders van een motorvoertuig dat behoort aan een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

Slide 15 - Quiz

Welk voertuig, dat richting heeft aangegeven, moet u binnen bebouwde kom in de gelegenheid stellen om weg te rijden vanaf een bushalte?
A
Een motorvoertuig dat is ingericht voor 8 personen, de bestuurder niet inbegrepen, en dat wordt gebruik als lijnbus.
B
Alle motorvoertuigen.
C
Een Duitse touringcar.

Slide 16 - Quiz

Je ziet een rijbaan met voorsorteerstroken. Je ziet dat de rechterrijstrook bestemd is voor rechtsaf, de middelste voor rechtdoor en de linkerrijstrook voor linksaf. De scheiding van de rijstroken worden door blokmarkering aangeven. Je rijdt op de rechterrijstrook. Mag je in dat geval rechtdoor rijden?
A
Ja, het is toegestaan.
B
Nee, je hebt de verplichting om rechtsaf te slaan.
C
Ja, als andere weggebruikers niet worden gehinderd.

Slide 17 - Quiz

Je ziet een politieauto met een verlicht transparant "stop politie". Is dit voertuig een voorrangsvoertuig?
A
Nee, dit voertuig voert geen optische en geluidsignalen.
B
Ja, het verlichte transparant in werking.
C
Ja, een herkenbaar politievoertuig is altijd een voorrangsvoertuig.

Slide 18 - Quiz

Je ziet een rotonde. Je rijdt op de toeleidende weg en je hebt haaientanden. Op de linker toeleidende weg staat een scooter. De bestuurder geeft onnodig veel gas, kennelijk met de bedoeling om de rotonde zo snel mogelijk op te rijden. Wat is geregeld voor wat betreft deze gedraging?
A
Het is niet toegestaan.
B
Het is toegestaan als hij niemand hindert.
C
Onnodig geluid veroorzaken is verboden.

Slide 19 - Quiz

Mag de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig met motor mobiel bellen?
A
Nee, dit is verboden.
B
Ja, hij mag bellen tenzij hij rijdt.
C
Hij mag bellen.

Slide 20 - Quiz

Mag je in een open aanhangwagen
personen vervoeren?
A
Nee.
B
Ja, indien een vergunning is verleend door de gemeente.
C
Ja, als de personen veilig worden vervoerd.

Slide 21 - Quiz

Je ziet dat een autobus wegrijdt vanaf een bushalte binnen de bebouwde kom. Deze autobus komt je tegemoet. Bij het wegrijden komt de bestuurder op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer. Indien je met dezelfde snelheid doorrijdt zal je de autobus hinderen.
Welke verplichting heb je als bestuurder?
A
Je moet de bestuurder van de autobus in de gelegenheid stellen om ongehinderd weg te rijden.
B
Je hoeft de bestuurder van de autobus niet in de gelegenheid te stellen om ongehinderd weg te rijden aangezien hij tegemoetkomt.
C
Je moet de bestuurder van de autobus voor laten gaan ondanks dat hij tegemoetkomt.

Slide 22 - Quiz

Op een kruispunt komt een tram van rechts deze heeft bord B6. Hoe is de voorrang geregeld in deze situatie?
A
De trambestuurder moet jou voorrang verlenen.
B
Jij moet de trambestuurder voorrang verlenen.
C
De trambestuurder moet jou voor laten gaan.

Slide 23 - Quiz

Je rijdt op de afbuigende weg naar links. Een fietser komt je tegemoet. Hoe is de voorrang in deze situatie geregeld?
A
Jij moet de fietser voorrang verlenen.
B
Jij moet de fietser voor laten gaan.
C
De fietser moet jou voorrang verlenen.

Slide 24 - Quiz

Je ziet een volledig kruispunt met een onverharde weg. Jij rijdt op de onverharde weg en van links nadert een geleider (bruine paard met man) op een verharde weg. Hoe is de voorrang in deze situatie geregeld?
A
Jij moet de geleider voor laten gaan.
B
Jij moet de geleider voorrang verlenen.
C
De geleider moet jou voorrang verlenen.

Slide 25 - Quiz

Wat zijn passieve veiligheidsmaatregelen?
A
Dit zijn veiligheden die op of in een auto aanwezig zijn om een ongeval te voorkomen of zoveel mogelijk te voorkomen.
B
Dit zijn veiligheden die op of in een auto aanwezig zijn om bij een ongeval het letsel tot een minimum te beperken dan wel te voorkomen.
C
Zowel antwoord A als B is goed.

Slide 26 - Quiz

Wanneer is een politiebusje een voorrangsvoertuig?
A
Met geluidsignalen en blauw zwaailicht.
B
Met knipperende koplampen en optische geluidsignalen.
C
Met optische en geluidsignalen.

Slide 27 - Quiz

Wat is de maximumsnelheid voor een bromfiets op de rijbaan binnen de bebouwde kom?
A
30 km/uur.
B
40 km/uur.
C
45 km/uur.

Slide 28 - Quiz

Wie moeten gevolg geven aan de rode lamp van een begeleider van een railvoertuig?
A
Bestuurders.
B
Weggebruikers.
C
Bestuurders van een motorvoertuig.

Slide 29 - Quiz

Waarom hebben deze borden een unieke vorm?
A
Je moet voorrang verlenen aan alle bestuuders.
B
Je moet voorrang verlenen aan motorvoertuigen op de kruisende weg.
C
Bij sneeuwval (ondergesneeuwd) zijn deze borden door de vorm toch nog te herkennen.

Slide 30 - Quiz

Wanneer doe je de richtingaanwijzer uit na het wisselen van rijstrook?
A
Als je bij de blokmarkering bent.
B
Meteen zodra je de zijdelingse verplaatsing hebt voltooid.
C
Enige tijd op de nieuwe rijstrook rijden en dan pas richting uit.

Slide 31 - Quiz

Wat zal het gevolg zijn als een beginnende bestuurder (2todrive) zonder begeleider rijdt?
A
Hij krijgt een geldboete.
B
Het CBR vordert het rijbewijs in.
C
De RDW vordert het rijbewijs in.

Slide 32 - Quiz

Mag een taxivoertuig een persoon laten in- of uitstappen op een fietsstrook?
A
Ja.
B
Nee.
C
Ja, indien het onmiddellijk gebeurt.

Slide 33 - Quiz

Een personenauto rijdt met een aanhangwagen van 1500 kg. Wat is de maximumsnelheid van dit voertuig op een auto(snel)weg?
A
80 km/uur.
B
90 km/uur.
C
100 km/uur.

Slide 34 - Quiz

Je ziet dit verkeersbord. Wat is de betekenis van dit bord?
A
Smalle weg met heel veel bochten.
B
Verboden voor vrachtauto's.
C
Verboden voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die langer zijn dan op het bord is aangegeven.

Slide 35 - Quiz

Waar mag je hier niet parkeren?
A
Aan de rechterzijde van het bord.
B
Aan de linkerzijde van het bord.
C
Aan beide zijden van het bord.

Slide 36 - Quiz

Waarom heeft de wegbeheerder verkeersdruppels aangelegd?
A
Betere doorstroming.
B
Om ervoor te zorgen dat bestuurders een ruimere bocht nemen.
C
Vlotte en veilige doorstroming van het verkeer.

Slide 37 - Quiz

Je merkt een kruispunt te laat op. Wat kan de oorzaak zijn? Je ziet namelijk een weg met veel bomen aan weerszijden.
A
Polderblindheid.
B
Coulisse beperking.
C
Afdekongeval.

Slide 38 - Quiz

Een automobilist brengt binnen 5 meter van een kuispunt zijn voertuig tot stilstand om een pakketje uit te laden. Is dit toegestaan?
A
Dit is toegestaan, want hier geldt alleen een parkeerverbod.
B
Dit is niet toegestaan, want er geldt een verbod om stil te staan.
C
Dit is toegestaan voor het onmiddellijk in en uitstappen van passagiers en niet voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

Slide 39 - Quiz

Welke bijzondere manoeuvres zijn genoemd in het RVV 1990?
A
Inhalen.
B
Wegrijden, uitrit verlaten en rijstrook wisselen.
C
Belangrijke zijdelingse verplaatsing.

Slide 40 - Quiz

Wat betekent dit bord?
A
Taperoplossing.
B
Einde spitsstrook.
C
Einde rijstrook.

Slide 41 - Quiz

Welke verlichting moet de bestuurder van een personenauto voeren indien deze in de berm geparkeerd staat?
A
Stadslichten.
B
Parkeerlichten.
C
Geen verlichting.

Slide 42 - Quiz

Waar moet je rekening mee houden bij ZOAB?
A
Dit is bij ijzel zeer glad.
B
Er is een langere remweg.
C
Water stroomt weg, dus geen aquaplaning en het absorbeert geluid.

Slide 43 - Quiz

In een rijdende touringcar dragen een moeder en haar kind geen gordel. Hoe is de verantwoordelijkheid geregeld?
A
De buschauffeur is verantwoordelijk voor moeder en kind.
B
De moeder is voor zichzelf verantwoordelijk en de buschauffeur voor het kind.
C
De moeder is voor zichzelf en voor het kind verantwoordelijk.

Slide 44 - Quiz

U wilt brandstof besparen. Wat kunt u het beste doen volgens de rijprocedure?
A
Rijden met imperiaal.
B
Rijden met een constante snelheid in file verkeer.
C
Schakelen tussen 2000 en 2500 toeren en rijden in een hoge versnelling.

Slide 45 - Quiz

U wilt achteruit rijden. Wat kunt u volgens de rijprocedure het beste doen?
A
Stuurwiel bovenaan vasthouden.
B
Stuurwiel onderaan vasthouden.
C
Met de linkerhand stuurwiel vasthouden en met de rechterhand ondersteunen.

Slide 46 - Quiz

Wat voor soort fietspad is dit?
A
Eenzijdig fietspad.
B
Tweezijdig fietspad.
C
Een aanliggend fietspad.

Slide 47 - Quiz

Stelling 1: Op een kruispunt mag u afslaan.
Stelling 2: Op een kruising mag u afslaan.
A
Stelling 1 is waar.
B
Stelling 2 is waar.
C
Stelling 1 en 2 zijn waar.

Slide 48 - Quiz

Wat is het kijkgedrag bij het verlaten van een rotonde?
A
Binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en rechterschouder.
B
Binnenspiegel, voor en rechterbuitenspiegel.
C
Voor, binnenspiegel en rechterschouder.

Slide 49 - Quiz

In welk geval is het gebruik van waarschuwingslichten toegestaan?
A
Bij het naderen van fileverkeer om achteropkomend verkeer te waarschuwen.
B
Indien je een auto die pech heeft sleept binnen de bebouwde kom.
C
Indien je op een voorrangsweg buiten de bebouwde kom geparkeerd staat.

Slide 50 - Quiz

Een persoon voert een motorfiets met de hand mee, maar de motor loopt. Aan welke verplichting moet deze persoon voldoen?
A
Hij moet een helm dragen en in het bezit zijn van een geldig rijbewijs categorie A.
B
Hij hoeft geen helm te dragen maar moet wel een rijbewijs hebben.
C
Hij hoeft geen rijbewijs te hebben maar wel een helm dragen.

Slide 51 - Quiz

Op een invoegstrook van een autosnelweg willen 5 auto's invoegen. In welke volgorde moet in deze situatie worden ingevoegd?
A
In willekeurige volgorde.
B
In de volgorde van aankomst.
C
In willekeurige volgorde maar de invoeger moet het gat niet dicht rijden voor andere invoegers.

Slide 52 - Quiz

Je ziet een weg met gescheiden rijbanen. In het midden zie je een trambaan. Je ziet dat de tram stilstaat en dat een aantal passagiers zijn uitgestapt. De passagiers hebben een opstelruimte. Je ziet dat een passagier de rijbaan wil oversteken en gebruik maakt van een oversteekplaats met kanalisatiestrepen. Hoe moet je reageren?
A
Passagier niet de gelegenheid stellen om over te steken.
B
Je hebt de verplichting om passagier voor te laten gaan.
C
Je hebt de verplichting om passagier in de gelegenheid te stellen om over te steken.

Slide 53 - Quiz

Je ziet een rijbaan. Het zicht op deze rijbaan wordt ernstig belemmerd door dichte mist. Het zicht is ongeveer 100 meter. Welke verlichting moet je voeren?
A
Dimlichten.
B
Mistlichten.
C
Stadslichten.

Slide 54 - Quiz

Je ziet een rijbaan. De rijbaan maakt een bocht naar links. Links van de rijbaan ligt een fietspad wat rechtdoor gaat.
Jij slaat linksaf op deze rijbaan, want je mag niet rechtdoor rijden. Welke verplichting heb je ten aanzien van richting geven?
A
Verplicht, want je slaat af.
B
Niet verplicht, want je slaat niet af.
C
Je mag het zelf bepalen.

Slide 55 - Quiz

Je ziet een T-aansluiting. De toeleidende weg heeft een in-/uitrit constructie. Je wil de uitrit verlaten en een andere auto wil de toe leidende weg inrijden. Wat is in de rijprocedure geregeld voor wat betreft het voor laten gaan?
A
Je moet de auto die wil inrijden voor laten gaan.
B
De auto die wil inrijden moet jou voor laten gaan.
C
Er is niets geregeld in de rijprocedure.

Slide 56 - Quiz

Je verlaat de autosnelweg en rijdt op de uitrijstrook. Wanneer doe je de richtingaanwijzer uit?
A
Meteen als je op de uitrijstrook rijdt.
B
Meteen als je op de uitrijstrook rijdt en bij de laatste blokmarkenng weer richting aangeven.
C
Bij de laatste blokmarkering/begin doorgetrokkenstreep/laatse pijl richting uit.

Slide 57 - Quiz

Er rijden 3 fietsers op de rijbaan,
Van links naar rechts fietser A,B en C
Wie mag wie inhalen?
A
A en B mogen C inhalen
B
C mag B Inhalen
C
A mag enkel B inhalen.

Slide 58 - Quiz

U gaat met uw auto een auto starthulp verlenen die is voorzien van een start-stopsysteem.
Hoe sluit u de startkabels aan?
A
De plus (+) op de plus (+) en de min (-) op de min (-).
B
De plus (+) op het chassis en de min (-) op de min(-).
C
De plus (+) op de plus (+) en de min op het chassis.

Slide 59 - Quiz

Hoe kun je het wegverloop herkennen?
A
Door de strepen op de weg.
B
Door de lantaarnpalen.
C
Door de vangrail.

Slide 60 - Quiz