De weg vragen en uitleggen

De weg vragen en uitleggen

1 / 8
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Secundair onderwijs

This lesson contains 8 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

De weg vragen en uitleggen

1

m

00

s

Welke woorden ken je nog om de weg uit te leggen?

Typ één of twee woorden.


Sleep de zinnen naar de juiste persoon.

1

m

30

s

Persoon A: vraagt de weg

Persoon B: legt de weg uit

Goedemiddag, mag ik u iets vragen?

Ik zoek het station.

Het ziekenhuis is rechts.

Graag gedaan.

Zet de dialoog in de juiste volgorde.

1

Zeggen welke plaats je zoekt

2

Begroeten 

3

Bedanken

4

De weg uitleggen

5

Beleefd iets vragen

6

Afsluiten

1

m

30

s

Welke zin gebruikt de jongen om beleefd de weg te vragen?

2

m

00

s

A

Mag ik u iets vragen?

B

Waar is het station?

C

Waar is het Molenplein?

D

Ga rechtdoor

Luister naar de route. Waar kom je uit?

2

m

00

s

A

Het politiekantoor

B

Het ziekenhuis

C

De supermarkt A

D

Het zwembad

Nu jullie! Dialoog: de weg vragen en uitleggen

  1. Kies een vertrekpunt: nummer 1–19.

Kies een bestemming.


  1. Leerling A vraagt de weg.

Leerling B legt de weg uit.

Daarna wisselen jullie.


Let op!

  • 6 tot 8 zinnen

  • correcte richtingswoorden

  • minstens één scheidbaar werkwoord

Schrijf jullie dialoog op p.13.

Schrijfoefening duo (opdracht 8)

11

m

00

s

Duo's

Leerling 14 - Leerling 16

Leerling 5 - Leerling 2

Leerling 10 - Leerling 6

Leerling 3 - Leerling 12

Leerling 11 - Leerling 7

Leerling 4 - Leerling 9

Leerling 8 - Leerling 13

Leerling 1 - Leerling 15