De weg vragen en uitleggen
De weg vragen en uitleggen
m
s
Welke woorden ken je nog om de weg uit te leggen?
Typ één of twee woorden.
Sleep de zinnen naar de juiste persoon.
m
s
Persoon A: vraagt de weg
Persoon B: legt de weg uit
Goedemiddag, mag ik u iets vragen?
Ik zoek het station.
Het ziekenhuis is rechts.
Graag gedaan.
Zet de dialoog in de juiste volgorde.
m
s
Welke zin gebruikt de jongen om beleefd de weg te vragen?
m
s
Mag ik u iets vragen?
Waar is het station?
Waar is het Molenplein?
Ga rechtdoor
Luister naar de route. Waar kom je uit?
m
s
Het politiekantoor
Het ziekenhuis
De supermarkt A
Het zwembad
Nu jullie! Dialoog: de weg vragen en uitleggen
Kies een vertrekpunt: nummer 1–19.
Kies een bestemming.
Leerling A vraagt de weg.
Leerling B legt de weg uit.
Daarna wisselen jullie.
Let op!
6 tot 8 zinnen
correcte richtingswoorden
minstens één scheidbaar werkwoord
Schrijf jullie dialoog op p.13.
Schrijfoefening duo (opdracht 8)
m
s
Duo's
Leerling 14 - Leerling 16
Leerling 5 - Leerling 2
Leerling 10 - Leerling 6
Leerling 3 - Leerling 12
Leerling 11 - Leerling 7
Leerling 4 - Leerling 9
Leerling 8 - Leerling 13
Leerling 1 - Leerling 15