Oefenen voor examen lezen luisteren

Waar staat de titel van een tekst?
A
onderaan de tekst
B
bovenaan de alinea
C
naast een tussenkopje
D
bovenaan de tekst
1 / 15
next
Slide 1: Quiz
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Waar staat de titel van een tekst?
A
onderaan de tekst
B
bovenaan de alinea
C
naast een tussenkopje
D
bovenaan de tekst

Slide 1 - Quiz

Waar staat de bron van een tekst?
A
Onderaan de tekst
B
onderaan het tussenkopje
C
Bovenaan de tekst

Slide 2 - Quiz

Wat is een ander woord voor afbeelding?
A
illusatratie
B
illustratie
C
plaatjuh

Slide 3 - Quiz

Wat kan een deelonderwerp zijn als de tekst over voetbal gaat?
A
ijsjes
B
spelregels
C
glijbanen
D
woordenboeken

Slide 4 - Quiz

Wat kan een deelonderwerp zijn als de tekst over corona gaat?
A
ziekteverschijnselen
B
spelregels
C
ijsjes
D
voetbal

Slide 5 - Quiz

Feit of mening?
Lezen is leuk
A
feit
B
mening

Slide 6 - Quiz

Feit of mening?
Eindhoven telt 220.000 inwoners.
A
feit
B
mening

Slide 7 - Quiz

Feit of mening?
Lisa moet 6,8 km fietsen naar HP.
A
feit
B
mening

Slide 8 - Quiz

Feit of mening?
Van Almere naar Best rijden duurt 1 uur en 8 minuten.
A
feit
B
mening

Slide 9 - Quiz

Feit of mening?
Koken is moeilijk.
A
feit
B
mening

Slide 10 - Quiz

Feit of mening?
HP is de leukste school van Almere.
A
feit
B
mening

Slide 11 - Quiz

Feit of mening?
Mijn broek is blauw.
A
feit
B
mening

Slide 12 - Quiz

Deze signaalwoorden (eerst, intussen, terwijl, toen, vervolgens, daarna, voordat, nadat, zodra en ten slotte) horen bij:
A
opsommend
B
tijdsvolgorde
C
tegenstellend

Slide 13 - Quiz

Deze signaalwoorden (ten eerste, om te beginnen, ook, tevens, bovendien, daarnaast ) horen bij:
A
opsommend
B
tijdsvolgorde
C
tegenstellend

Slide 14 - Quiz

'maar' is een signaalwoord van:
A
opsommend
B
tegenstellend
C
tijdsvolgorde

Slide 15 - Quiz