Wk 9 Les 2 - Herhaling periode 2

Wk 9 Les 2 - Herhaling periode 2
1 / 10
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 10 slides, with text slides.

Items in this lesson

Wk 9 Les 2 - Herhaling periode 2

Slide 1 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
Alle eindapparaten en netwerkapparaten hebben een besturingssysteem (OS) nodig. De gebruiker kan met behulp van een toetsenbord via de command-line-interface (CLI) met de shell communiceren om CLl-gebaseerde netwerkprogramma's uit te laten voeren, tekst en op tekst gebaseerde commando's in voeren en de uitvoer op een monitor te bekijken.
Als een beveiligingsfunctie scheidt de Cisco-IOS-software de managementtoegang in de volgende twee commando-modes: user-EXEC-mode en privileged-EXEC-mode.

Als een beveiligingsfunctie scheidt de Cisco-IOS-software de managementtoegang in de volgende twee commando-modes: user-EXEC-mode en privileged-EXEC-mode.

Slide 2 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
De globale configuratie-mode biedt toegang tot andere, specifieke configuratie-modes. Vanuit de globale configuratie-mode kan de gebruiker naar verschillende sub-configu­ratie-modes gaan. In elk van deze modes kan een bepaald onderdeel of functie van het IOS-apparaat geconfigureerd worden. Twee veelgebruikte sub-configuratie-modes zijn: line-configuratie-mode en interfaceconfiguratie-mode. Om naar de globale configura­ tie-mode te gaan wordt het privileged-EXEC-commando configure terminal gebruikt. Het globale configuratie-mode-commando exit wordt gebruikt om naar de privile­ged-EXEC-mode terug te keren.

Slide 3 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
Elk IOS-commando heeft een bepaald formaat of bepaalde syntax en kan alleen in de juiste mode uitgevoerd worden. De algemene syntax van een commando is het commando ge­ volgd door eventuele relevante sleutelwoorden (keywords) en argumenten. Het IOS heeft twee vormen van hulp beschikbaar: contextgevoelige hulp en controle van de syntax van het commando.

Slide 4 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
Het eerste te gebruiken configuratiecommando moet een unieke apparaatnaam of hostnaam aan het apparaat geven. Op netwerkapparaten moeten altijd wachtwoorden geconfigureerd worden om de beheerderstoegang te beveiligen. Het Cisco IOS kan gecon­ figureerd worden om op een hiërarchische manier wachtwoorden toe te passen om de verschillende toegangsrechten tot een netwerkapparaat mogelijk te maken. Configureer en encrypt alle wachtwoorden. Een manier om aan te geven dat alleen geautoriseerd per­ soneel toegang tot het apparaat heeft, is door een banner-bericht op het apparaat toe te passen.

Slide 5 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
Er zijn twee systeembestanden waarin de configuratie van het apparaat opgeslagen wordt: startup-config en running-config. Het running-config-bestand kan gewijzigd wor­ den, maar de wijzigingen worden niet automatisch opgeslagen. De configuratiebestanden kunnen ook opgeslagen worden en in een tekstbestand gearchiveerd worden.

Slide 6 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
IP-adressen stellen apparaten in staat elkaar te lokaliseren en een end-to-end-communica­ tie over het internet tot stand te brengen. Elk eindapparaat op een netwerk moet met een IP-adres geconfigureerd zijn. De structuur van een IPv4-adres wordt dotted decimal-notatie genoemd en wordt weergegeven door vier decimale getallen van o t/m 255

Slide 7 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
IPv4-adresinformatie kan handmatig of automatisch met behulp van Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP) op eindapparaten ingevoerd worden. In een netwerk maakt DHCP automatische IPv4-adresconfiguratie mogelijk voor elk apparaat waarop DHCP geactiveerd is. Om op afstand toegang tot een switch te krijgen, moeten er een IP-adres en een subnetmasker op de SVI geconfigureerd worden. Gebruik het globale


configuratiecommando interface vlan 1 om een SVI op een switch te configureren. Vlan 1 is geen echt fysieke interface maar een virtuele.

Slide 8 - Slide

2.9.3 Wat leerde je in dit hoofdstuk?
Op dezelfde manier als je commando's en utilities gebruikt om de netwerkconfiguratie van PC-hosts te controleren, gebruik je ook commando's om de interfaces en adresinstellingen van intermediaire apparaten, zoals switches en routers, te controleren. Het commando show ip interface brief controleert de toestand van de switch-interfaces. Het ping-com­mando wordt gebruikt om de verbinding met een ander apparaat op het netwerk of een website op het internet te testen.

Slide 9 - Slide

Huiswerk
2.9.1 Packet Tracer - Basis-switch- en eindapparaatconfiguratie
2.9.2 Lab - Basis-switch- en eindapparaatconfiguratie
2.9.4 Quiz Basis-switch- en eindapparaatconfiguratie

Slide 10 - Slide