TC A1 - 6.3 Kleding kopen

TC 6.3: kleding kopen
Aan het einde van de les kan je 
naar de kledingwinkel om kleding te kopen.
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

TC 6.3: kleding kopen
Aan het einde van de les kan je 
naar de kledingwinkel om kleding te kopen.

Slide 1 - Slide

Wat draagt Brinesh?
A
Broek en vest
B
Jurk en vest
C
Trui en jas
D
Shirt en rok

Slide 2 - Quiz

Wat zijn lidwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 3 - Quiz

Welk lidwoord?
...............zee
A
de
B
het

Slide 4 - Quiz

Vul het goede lidwoord in.....
arm
A
De
B
Het

Slide 5 - Quiz

het feest
Op koningsdag viert heel Nederland feest.

Er is
- muziek
- vrijmarkt
- kraampjes

Slide 6 - Slide


Wat vieren wij op koningsdag?
A
de verjaardag van Nederland
B
De bevrijding van Nederland
C
de verjaardag van de koning
D
de dag waarop de koning zijn kroon kreeg

Slide 7 - Quiz

Wat doet de Koning op Koningsdag?
A
Hij houdt een speech voor de televisie.
B
Hij rijdt in een koets door de stad en zwaait naar de mensen
C
Hij bezoekt met zijn familie ieder jaar een andere plaats in Nederland.

Slide 8 - Quiz

De ................ mensen hoeven niet te werken op Koningsdag
A
geen
B
alle
C
2
D
meeste

Slide 9 - Quiz

de kleding

Slide 10 - Slide

Zin:
Ik koop kleding in de kledingwinkel.
Jij draagt leuke kleding.
Waar kan ik feest kledingkopen?

Slide 11 - Slide

De maat / de maten

Slide 12 - Slide

In een zin:
Welke maat heb je?
Ik zoek maat XL.
Heb je nog meer maten?
Heeft u de broek in een kleinere maat?

Slide 13 - Slide

Het merk - de merken
- Welk merk zoek je?
- Ik zoek het merk Nike. 
- De schoenen zijn duur,
ze zijn van een duur merk.
- Welke merken telefoons
zijn er? Apple, Samsung..

Slide 14 - Slide

dragen (werkwoord)
De bruid draagt een witte jurk.
passen (werkwoord)
Ik pas de kleren in het pashok.

Slide 15 - Slide

passen (ww)
  • Aandoen en kijken: is de maat goed? Is het mooi?
  • Passen doe je in een pashokje
  • Ik pas, jij past, hij/zij/u past
  • Wij/jullie/zij/ze passen
  • Zin: De vriendinnen passen kleding in de H&M. 

Slide 16 - Slide

trouwen (ww)
  • Als twee mensen trouwen, zeggen ze officieel dat ze bij elkaar blijven. Ze vieren een feest. Het feest heet de bruiloft.
  • zin: Morgen gaat mijn broer trouwen

Slide 17 - Slide

Het werkwoord mogen

ik mag
jij/je mag
u mag
hij/zij mag
wij mogen
jullie mogen
zij mogen 
Hiermee zeg je dat iets oké is. 
Hiermee vraag je of iets oké is.

Zin: Mevrouw, mag ik naar de wc? Ja, dat mag.
Mogen we tijdens de toets een telefoon gebruiken? Nee, dat mag niet.
Weet jij of ik hier in mag?

Slide 18 - Slide

Iemand die werkt op de 
plaats waar je bent. 

Zin: Ik ben een medewerker van de Action. 
De docent is een medewerker van de school.

De medewerker
De medewerkers

Slide 19 - Slide

de knoop 
de knopen
Een rondje waarmee je een jas, broek, tas, trui of vest mee dicht kan maken.

Zin:
Mijn jas heeft 4 knopen.
Mijn tas heeft geen knopen.

Slide 20 - Slide

Waar zie je de bloes?
A
B
C
D

Slide 21 - Quiz

Maak een zin.
timer
1:00

Slide 22 - Open question

Maak een zin.
timer
1:00

Slide 23 - Open question