Vakantiequiz

Vakantiequiz

1 / 25
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 25 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vakantiequiz

Punten

1 punt per goed antwoord.

1 punt als het antwoord goed is geschreven.

Ronde 1. Wat neem je mee?

  1. Wat neem je mee als het regent?

  1. Wat neem je mee naar het strand?

Wat moet je meenemen als je op reis gaat naar een ander laat.

Ze controleren of je het bij je hebt!

Wat zet je op als de zon schijnt?

Wat gebruik je zodat je niet verbrandt?

Ronde 2. Woordenschat

  1. Noem drie woorden die horen bij de zee.

  1. Noem drie woorden die horen bij de camping.

  1. Noem drie kledingstukken die je draagt als het warm weer is.

  1. Noem drie vakantieactiviteiten.

Ronde 3. Welk vakantieland?

  1. πŸ—ΌπŸ₯–πŸ₯

  1. πŸŽΈπŸ’ƒπŸ₯˜

  1. πŸŒ·πŸš²πŸ§€

  1. 🐫🏜️

Ronde 4. Waar hoort het?

  1. Waar slaap je in een tent? Hoe noemen we deze plek?

  1. Waar kun je zwemmen?

  1. Waar kun je een zandkasteel bouwen?

  1. Waar kun je de Eifeltoren beklimmen?

  1. Waar kun je een vliegtuig zien vertrekken?

Ronde 5. Maak zinnen

  1. Maak een zin met het woord strand.


  1. Maak een zin met het woord vakantie.

  1. Maak een zin met het de woorden zwemmen en zwemdiploma.

  1. Maak een zin met de woorden vliegtuig en hotel.

Ronde 6.ZZZZZZZZZZZZZZZZZZZZzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz

Schrijf zoveel mogelijk woorden op die beginnen met de letter Z. die passen bij het thema vakantie/ zomer.