Voegwoorden
Aan het einde van deze les kun je:
Voegwoorden gebruiken. Dan kun je van 2 zinnen 1 zin maken!
Je leert de voegwoorden: en, maar, of, want.
Voegwoorden
Aan het einde van deze les kun je:
Voegwoorden gebruiken. Dan kun je van 2 zinnen 1 zin maken!
Je leert de voegwoorden: en, maar, of, want.
Wat zijn voegwoorden?
Een voegwoord is een woord dat 2 zinnen aan elkaar kan plakken.
Zin 1
Zin 2
Zin 1 en 2 samen
en is een voegwoord!
Kijk maar:
Ik vind frisdrank lekker.
Ik vind snoep lekker.
Ik vind frisdrank en snoep lekker.
en betekent samen.
want is ook een voegwoord
Kijk maar:
Ik doe een jas aan.
Het is koud.
Ik doe een jas aan want het is koud.
want betekent waarom.
maar is ook een voegwoord
Kijk maar:
Ik wil voetballen.
Het regent.
maar betekent niet hetzelfde (regen-zon, koud-warm)
Ik wil voetballen, maar het regent.
of is ook een voegwoord
Kijk maar:
Wil je wandelen?
Wil je fietsen?
of betekent kiezen
Wil je wandelen of fietsen?
Je hebt nu 4 voegwoorden geleerd
en
want
maar
of
We gaan samen oefenen!
Welk voegwoord hoort hier?
Wil je pizza?
Wil je kip?
en
want
maar
of
Welk voegwoord hoort hier?
Wil je pizza?
Wil je kip?
en
want
maar
of
Wil je pizza of kip?
Welk voegwoord hoort hier?
Ik wil eten.
Ik wil drinken
en
want
maar
of
Welk voegwoord hoort hier?
Ik wil eten.
Ik wil drinken
en
want
maar
of
Ik wil eten en drinken.
Welk voegwoord hoort hier?
Ik hou van suiker.
Ik wil niet ziek worden
en
want
maar
of
Welk voegwoord hoort hier?
Ik hou van suiker.
Ik wil niet ziek worden
en
want
maar
of
Ik hou van suiker, maar ik wil niet ziek worden.
Welk voegwoord hoort hier?
Ik ga wandelen.
De zon schijnt.
en
want
maar
of
Welk voegwoord hoort hier?
Ik ga wandelen.
De zon schijnt.
en
want
maar
of
Ik ga wandelen, want de zon schijnt.
Zelf oefenen
Oefen zelf met voegwoorden.
10 minuten. Klaar?
Extra opdracht bij de docent halen.
Groep 1: Oefenen in tweetallen (10-15 minuten)
Maak van 2 zinnen 1 zin. Welk voegwoord moet ertussen? Schrijf de zin op jouw papier.
Groep 2: Oefenen in groepjes (10-15 minuten)
Maak zinnen. Kies een kaartje van iedere kleur: geel, oranje en blauw. Draai ze om en leg er een voegwoord ertussen. Schrijf de zin op jouw papier.
(denk ook aan de werkwoordsvorm: ik loop, jij loopt, wij lopen)
Wat heb je geleerd?
en
want
maar
of
Je kunt nu voegwoorden herkennen en gebruiken in een zin!