Classe 4 révision module Paris

Révision pour le test, module Paris
Vergrotende trap, trappen van vergelijking: grand, plus grand, le plus grand
Aanwijzend voornaamwoord: ce, cet, cette, ces
Werkwoorden croire, dire, voir, savoir, futur et futur du passé/conditionnel
Phrases clés
Vocabulaire

1 / 12
next
Slide 1: Slide
FransVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Révision pour le test, module Paris
Vergrotende trap, trappen van vergelijking: grand, plus grand, le plus grand
Aanwijzend voornaamwoord: ce, cet, cette, ces
Werkwoorden croire, dire, voir, savoir, futur et futur du passé/conditionnel
Phrases clés
Vocabulaire

Slide 1 - Slide

Trappen van vergelijking
bijvnw / plus + bijvnw / le, la, les plus + bijvnw 
vrouwelijk+ e / meervoud + s
uitzonderingen bv: bon/ meilleur/ le meilleur
Le Louvre est le musée le plus intéressant de Paris
La cathédrale Notre Dame est plus belle que Notre Dame de la Treille à Lille
Mbappé est le meilleur joueur du championnat

Slide 2 - Slide

Vertaal de vergrotende trap. Hij is groter

Slide 3 - Open question

Vertaal : hij is de grootste

Slide 4 - Open question

Vertaal: zij is mijn beste vriendin

Slide 5 - Open question

Aanwijzend voornaamwoord
Vertaling: die, dat of deze 
mannelijk enkv= ce
mannelijk enk met klinker/h= cet
vrouwelijk enkv= cette
meervoud= ces

Slide 6 - Slide

Leg uit waarom en geef de betekenis
ce professeur est nouveau
cet animal est gentil
cette église est belle
ces bâtiments sont beaux

Slide 7 - Slide

Oefenen met phrases clés  7 p. 95
Heb je een leuke vakantie gehad?
Wat hebben jullie gedaan?
Zijn er veel musea in Parijs?
Is er korting voor jongeren?
Wat zijn de openingstijden?

Slide 8 - Slide

Réponses
 Heb je een leuke vakantie gehad? Tu as passé de bonnes vacances?
Wat hebben jullie gedaan? Qu' est-ce que vous avez fait?
Zijn er veel musea in Parijs? Est-ce qu' il y a beaucoup de musées à Paris
Is er korting voor jongeren? Il y a une réduction pour les jeunes? 
Wat zijn de openingstijden? Quelles sont les heures d' ouverture?
( wat+ zijn = quel/quelle/quels/quelles est/ sont )

Slide 9 - Slide

Phrases clés 3 p. 93
Ik woon in... dat is een dorp in
Waar bevindt zich?
Kun je je kamer beschrijven?

Slide 10 - Slide

Phrases clés 3 p. 93
Ik woon in... dat is een dorp in= j'habite à..., c' est un village dans.
Waar bevindt zich..? Où se trouve..?
Kun je je kamer beschrijven? Tu peux décrire ta chambre?

Slide 11 - Slide

le bateau-mouche
l'endroit
la vie quotidienne
gratuit
le quai
le bruit
la campagne
à côté de
fatigant
gràce à
car
het feest
bezoeken
zin hebben in
de prijs
de hoofdstad
de wijk
levendig
drinken
maar

Slide 12 - Slide