26/5 WKMD Schrijven + voegwoorden

                                          Welkom!
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

                                          Welkom!

Slide 1 - Slide

Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in de kluis
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 

Slide 2 - Slide

Planning dinsdag 26 mei
  • Jeugdjournaal
  • uitleg voegwoorden
  • schrijfopdracht
  • Klaar: verder met Schrijven in Nederland/Ojee A2

Slide 3 - Slide

 lesdoelen 
  • Ik kan een goede zin maken met het voegwoord 'en' en 'want'. (A1)
  • Ik kan een zin maken met moeilijkere voegwoorden, zoals maar, omdat, toen en dus. (A2)
  • Ik kan een korte tekst schrijven over een feest in mijn land.

Slide 4 - Slide

NOS Jeugdjournaal
  • wie?
  • wat?
  • waar?
  • wanneer?
  • waarom?
  • hoe? 

Slide 5 - Slide

 Schrijfopdracht (zie blad A1/A2)
  • Je gaat een tekst schrijven over een feest in jouw land.
  • Boven de tekst schrijf je de titel: de naam van het feest.
  • Je gebruikt voegwoorden.
  • Controleer (check) je tekst met de checklist.

Slide 6 - Slide

Let op!
  • Maak zelf zinnen!
  • Geen Google Translate of AI!
  • Google Translate alleen gebruiken voor woorden. 

Slide 7 - Slide

 voegwoorden

Slide 8 - Slide

voegwoorden

Slide 9 - Mind map

Wat zijn voegwoorden?
Voegwoorden zijn plakwoorden.
Ze plakken twee zinnen aan elkaar.
Bijvoorbeeld:
Ik ga naar school en ik neem mijn tas mee.
Hij is thuis, want hij is ziek.


Slide 10 - Slide

Wat is geen voegwoord?
A
en
B
de
C
want
D
maar

Slide 11 - Quiz

Wat is geen voegwoord?
A
omdat
B
dus
C
zijn
D
maar

Slide 12 - Quiz

basisvoegwoorden EN/WANT (A1)

Slide 13 - Slide

voegwoord EN
Gebruik het voegwoord EN in de tekst.
Voorbeeld: Het feest is gezellig en we eten samen.

Slide 14 - Slide

voegwoord WANT (because)
Het voegwoord 'want' noemt een reden, een uitleg.

Gebruik het voegwoord WANT in de tekst. Voorbeeld:
Het feest is belangrijk, want het is een feest van mijn geloof.

Slide 15 - Slide

Maak een zin met WANT

Slide 16 - Open question

Schrijf een komma voor de voegwoorden:
  • Ik kom niet op school, want ik ben ziek.
  • Ik vind de zomer leuk, maar ik hou niet van warm weer.

Geen komma voor EN!

Slide 17 - Slide

 Schrijfopdracht A1 (blad)
  • Je gaat een tekst schrijven over een feest in jouw land.
  • Boven de tekst schrijf je de titel: de naam van het feest.
  • Je gebruikt de voegwoorden.
  • Controleer (check) je tekst met de checklist.

Slide 18 - Slide

Let op!
  • Maak zelf zinnen!
  • Geen Google Translate of AI!
  • Google Translate alleen gebruiken voor woorden. 

Slide 19 - Slide

moeilijkere voegwoorden (A1-A2)

Slide 20 - Slide

voegwoord MAAR (BUT)
Het voegwoord MAAR gebruik je bij een tegenstelling.
Voorbeeld: Op het feest eten we veel vlees, maar we eten geen varkensvlees.

Slide 21 - Slide

Maak een zin met MAAR

Slide 22 - Open question

voegwoord OMDAT(because)
Het voegwoord 'omdat' is hetzelfde als 'want.'
We schrijven alleen het werkwoord achteraan.
Voorbeeld:
Ik ga niet naar school, omdat ik ziek ben.
(dus niet: omdat ik ben ziek)

Slide 23 - Slide

Maak de zin af:
Ik ga naar school, omdat.......

Slide 24 - Open question

voegwoord TOEN (WHEN)
Het voegwoord 'toen' geeft een tijd aan.
We schrijven hier ook het werkwoord achteraan.
Voorbeeld:
Toen ik naar school ging, was mijn fiets weg.
(dus niet: Toen ik ging naar school, mijn fiets was weg)
Lees het voorbeeld in de opdracht.

Slide 25 - Slide

voegwoord DUS (SO)
Het voegwoord 'dus' geeft een conclusie aan.
We schrijven hier het werkwoord voor het onderwerp.
Voorbeeld:
Het is een christelijk feest, dus gaan we naar de kerk.
(dus niet: Het is een christelijk feest, dus we gaan naar de kerk)

Slide 26 - Slide

Maak een zin met DUS

Slide 27 - Open question

Schrijf een komma voor de voegwoorden:
  • Ik kom niet op school, want ik ben ziek.
  • Mijn broer sport veel, omdat hij van sport houdt.
  • Ik vind de zomer leuk, maar ik hou niet van warm weer.
  • Ik hou van zwemmen, dus ga ik vaak naar het zwembad.

Geen komma voor EN!

Slide 28 - Slide

 Schrijfopdracht (zie blad A1->A2)
  • Je gaat een tekst schrijven over een feest in jouw land.
  • Boven de tekst schrijf je de titel: de naam van het feest.
  • Je gebruikt verschillende voegwoorden.
  • Controleer je tekst met de checklist.

Slide 29 - Slide

Vorige schrijfopdracht (mail over kleding kopen)
  • bespreken per leerling 

Slide 30 - Slide

Klaar? Schrijven in Nederland en Schrijven A2

Slide 31 - Slide

Fijne dag! Tot de volgende keer!

Slide 32 - Slide