Verwijswoorden hij, hem, het, ze, er, hier, daar


hij, hem, het, ze
er, hier, daar
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 21 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson


hij, hem, het, ze
er, hier, daar

Slide 1 - Slide

Startklaar:
  • Ga rustig op je plek zitten.

  •                       Telefoon in je tas.

  • Schoolspullen op tafel: 


Vandaag: Verwijswoorden

Slide 2 - Slide

Verwachtingen

Tijdens de les:
  • Luister je stil mee tijdens de instructie;
  • Doe je actief mee;
  • Werken we rustig alleen of samen;
  • Ben je verantwoordelijk voor je eigen gedrag;
  • Mag je altijd om hulp vragen als het even niet lukt.

Slide 3 - Slide

Overzicht van de les
  • Hoe is het met je? 
  • Wie is er wel en wie niet?
  • Lesdoel
  • Uitleg
  • Instructie
  • Samen oefenen
  • Aan het werk
  • Terugkijken

Slide 4 - Slide

          Lesdoelen
Ik kan:
  • verwijswoorden hij, hem, het en ze
    gebruiken in zinnen,
  • het juiste verwijswoord
    invullen in zinnen,
  • er toepassen met een getal,
    als plaatswoord en met een
    onbepaald onderwerp.

Slide 5 - Slide

          Met welke woorden kun je
             praten je over mensen?
  • De man koopt een tv. 
  • De man betaalt met zijn pinpas.
  • De buurvrouw is ziek.
    De buurvrouw ligt in het ziekenhuis.
  • De klanten zijn boos.
    De klanten moeten lang wachten.

Slide 6 - Slide

Welk woord gebruik je voor:
de-woorden
het-woorden
meervoud?
Hoe kan je praten 
over dingen?

Slide 7 - Slide

Verwijswoorden?       
  • Ik heb de trui gisteren gekocht. De trui Hij was niet zo duur. Ik ga de trui hem vaak dragen. Een verwijswoord voorkomt herhaling.
  • We gebruiken de trui enkel in de eerste zin, daarna gebruiken we een klein woord dat verwijst naar de trui: hij of hem.
  • We hebben het huis gekocht. Het huis Het is oud. We moeten het huis het renoveren. Bij het-woorden gebruiken we enkel het.
  • Ik heb nieuwe schoenen. De schoenen Ze lopen comfortabel. Ik draag de schoenen ze graag. Bij het meervoud gebruiken we het woord ze.

Slide 8 - Slide

Hoe leer ik de regels?       




Verwijswoorden
verwijswoord
voorbeeld
de-woorden
hij of hem
de winkel
het-woorden
het
het huis
meervoud
ze
de schoenen

Slide 9 - Slide

            Instructie
  • Wat?             Werkbladen invullen
                           Oefening 2 tot 4              
  • Hoe?             Zelfstandig (alleen): in stilte. Op papier.
  • Hulp?            Steek je hand op, ik kom naar je toe.                    
  • Tijd?              5 minuten
  • Klaar?           TaalCompleet boek of Kleurrijker online
                           


Slide 10 - Slide

                  Samen oefenen
  • Dit is de ring van mijn vader. Ik draag ... elke dag.
  • Weet jij waar mijn telefoon is? Ja, ... ligt in de keuken.
  • Wat een mooi horloge! Ja, ik draag ... graag.
  • Waar is het mes? ... zit nog in de vaatwasser.
  • Waar zijn mijn sleutels? ... liggen op de kast.
  • We zijn blij met de nieuwe computers. ... zijn snel.

Slide 11 - Slide

            Aan het werk
  • Wat?             Werkbladen invullen
                           Oefening 2 tot 4              
  • Hoe?             Zelfstandig (alleen): in stilte. Op papier.
  • Hulp?            Steek je hand op, ik kom naar je toe.                    
  • Tijd?              5 minuten
  • Klaar?           TaalCompleet boek of Kleurrijker online
                           


timer
5:00

Slide 12 - Slide

ER + getal      
  • Hoeveel paprika’s wil je? Ik wil er twee.    Er = paprika’s
  • Hoeveel fietsen heb je? Ik heb er één.      Er = fiets
  • Hoeveel appjes verstuur je elke dag? Ik verstuur er veel. Er=appjes
  • Getalwoorden zijn specifieke getallen (één, twee, drie, …) maar ook woorden als: veel, weinig, een paar.
  • Er staat altijd na het werkwoord bij getalswoorden:
    wie werkwoord   er   extra
    Ik    lees                er   ongeveer twintig

Slide 13 - Slide

ER als plaatswoord     
  • Hoe lang woon je al in Nederland? 
  • Ik woon er al drie jaar.                                Er = Nederland
  • Is dat een goed restaurant? 
  • Ja, je kunt er lekkere gerechten eten.     Er = restaurant
  • Het woordje er verwijst in deze zinnen naar een plaatswoord.
  • Er staat altijd na het werkwoord bij plaatswoorden.

Slide 14 - Slide

Hier en daar     
  • Voor plaatsen kunnen we ook de woordjes hier en daar gebruiken.
  • In Nederland: Hier hebben we veel regen.       Hier = dichtbij
  • In Australië:    Daar hebben ze veel zon.           Daar = ver weg
  • Hier en daar kunnen na het werkwoord staan
    of op de eerste plaats van de zin.
  • wie   werkwoord   hier/daar     extra
  • Erik   woont           hier/daar     al zijn hele leven.
  • hier/daar   werkwoord   wie     extra
  • Hier/Daar  woont            Erik    al zijn hele leven.

Slide 15 - Slide

ER + onbepaald onderwerp         
  • Het schilderij hangt boven de bank. 
  • Een schilderij hangt aan de muur.
  • We mogen een zin niet beginnen met het woord een. Daarom beginnen we de zin met het woord er:
    Er hangt een schilderij aan de muur.
  • En in het meervoud: Er hangen schilderijen aan de muur.
  • Er gebruiken we met een, maar ook met de volgende woorden: geen, veel, een paar, weinig en telwoorden (één, twee, drie,…)

Slide 16 - Slide

            Instructie
  • Wat?          Werkbladen invullen
                        17 Oefening 2, 18 Oefening 2 en 3, 19 Oefening 2 en 3         
  • Hoe?          Zelfstandig (alleen): in stilte. Op papier.
  • Hulp?         Steek je hand op, ik kom naar je toe.                    
  • Tijd?           15 minuten
  • Klaar?        TaalCompleet boek of Kleurrijker online
                           


Slide 17 - Slide

                  Samen oefenen
  • Hoeveel boeken lees je per jaar? 
  • Ik lees er ongeveer twintig.
  • Italië – lekker pizza’s: Ze maken .... lekker pizza’s.
  • OF .... maken ze lekkere pizza’s.
  • Er hangt .... / Er ligt ...
  • een lamp aan het plafond. / een kleed op de grond.
  • Er staan ... boeken in de kast.    Veel/Een

Slide 18 - Slide

            Aan het werk
  • Wat?          Werkbladen invullen
                        17 Oefening 2, 18 Oefening 2 en 3, 19 Oefening 2 en 3         
  • Hoe?          Zelfstandig (alleen): in stilte. Op papier.
  • Hulp?         Steek je hand op, ik kom naar je toe.                    
  • Tijd?           15 minuten
  • Klaar?        TaalCompleet boek of Kleurrijker online
                           


timer
15:00

Slide 19 - Slide

            Reflecteren
Ik draai de spinner en je ziet 
een vraag of opdracht. 
Denk zelf na over je antwoord.
Ik geef de beurt aan iemand.
Je luistert naar elkaar.

'Ik weet het niet' wil ik niet horen.
Je vraagt dan: 'Mag ik langer nadenken?'

Slide 20 - Slide

Tijd om op te ruimen
  • Blijf zitten en praat zachtjes met je buur.
  • Pak je tas in.
Als de bel gaat:
Mag je opstaan, je stoel aanschuiven en 
naar je volgende les gaan.






Slide 21 - Slide