OT H4 (foutief pleonasme en foutieve tautologie) + mindmap

- Uitleg Over taal H4 (foutief pleonasme en foutieve tautologie)
- Maken opdr. 1 t/m 3 van OT H4
- Uitleg mindmap (boek 3)

1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 10 slides, with interactive quiz, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

- Uitleg Over taal H4 (foutief pleonasme en foutieve tautologie)
- Maken opdr. 1 t/m 3 van OT H4
- Uitleg mindmap (boek 3)

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
Over taal H4:
- Je begrijpt de betekenis van verschillende woorden uit de media.
- Je herkent stijlfiguren die foutief gebruikt zijn, zoals foutief pleonasme en foutieve tautologie.

Slide 2 - Slide

Even herhalen..
Pleonasme herhaalt een eigenschap dat al in een woord verwerkt zit (twee verschillende woordsoorten).

Tautologie zegt twee keer hetzelfde (synoniemen).

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Bedenk zelf een voorbeeld
van pleonasme of tautologie.

Slide 5 - Mind map

Foutief pleonasme en foutieve tautologie
Op het moment dat je tautologie of pleonasme niet als stijlfiguur, maar onbewust verkeerd in een tekst verwerkt, spreek je van foutief pleonasme en foutieve tautologie.

Bovendien moet ik morgen mijn huiswerk ook nog afmaken.
De producten van Shell worden naar het buitenland geëxporteerd.






Slide 6 - Slide

Huiswerk
Over taal H4: 1 t/m 3 

Laatste 10 minuten - 
uitleg mindmap

Slide 7 - Slide

Mindmap
Verwerkingsopdracht 3  - klas 3 havo/vwo
timer
10:00

Slide 8 - Slide

Opdracht mindmap
Je leest een boek (Young Adult of volwassenliteratuur). Van dit boek maak je een mindmap met de volgende 'takken':
- Opbouw                 - Spanning
- Personages          - Literatuur of lectuur
- Perspectief           - Motieven
- Tijd                            - Thema
- Ruimte

Slide 9 - Slide

Opdracht mindmap
Elke tak werk je uit met kleinere takken:
- Opbouw (begin/einde)                       
- Spanning (soort spanning, open plek etc.)
- Personages (uiterlijk/karakter/ hoofdpersoon)        
- Literatuur of lectuur
- Perspectief           
- Motieven (kleine herhalingen / onderwerpen)
- Tijd (chronologie, verteltijd / vertelde tijd / vertraging of versnelling)
- Thema (hoofdonderwerp)
- Ruimte (plaatsen / sfeer)

Slide 10 - Slide