3H Onbepaald voornaamwoord

Onbepaald vnw
3H
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Onbepaald vnw
3H

Slide 1 - Slide

Belangrijke info:
Leesboek 3 uit op don 14 jan
Toets taalverzorging op 25 jan

Slide 2 - Slide

Terugblik:
Betrekkelijk voornaamwoord

Slide 3 - Slide

Betrekkelijk vnw:
Wat doet een betrekkelijk voornaamwoord?
Wat is een antecedent?
Met welk betrekkelijk vnw verwijs je naar de-woorden?
Met welk betrekkelijk vnw  verwijs je naar het-woorden?
Wat is een betrekkelijk vnw met ingesloten antecedent?
Wanneer gebruik je 'wat' als betrekkelijk vnw?

Slide 4 - Slide

Betrekkelijk vnw:
1. Het enige (...) ik interessant vind is voetbal
2. Het voorbeeld (...) goed gegeven wordt
3. Wie altijd aardig is, krijgt liefde terug
4. Het meisje waarmee/ met wie ik samen fiets

Slide 5 - Slide

Huiswerk nakijken:
Blz. 30 opdracht 1 tm 3 klassikaal

Slide 6 - Slide

Onbepaald vnw
Duidt een persoon of een zaak aan, maar zegt niet precies om wie of wat het gaat

Gisteren vertelde iemand mij iets, wat niemand mag weten

Slide 7 - Slide

Onbepaalde vnw:
"iemand-niemand-iedereen-men-je-menigeen-het-iets-zoiets-niets-alles-elke-iedere-menig-wat-ene-een zekere-een of andere"

Slide 8 - Slide

Lastige gevallen:
* Je = onbepaald vnw => men
Moeilijkheden kun je maar beter vermijden
* Wat = onbepaald vnw => iets
Neem jij ook wat  mee naar huis?
* Het = onbepaald vnw => tijd, weer of sfeer
Het is al laat, maar het is nog steeds gezellig

Slide 9 - Slide

Welk woord is een onbepaald vnw?
Sommige mensen houden van Barok
A
mensen
B
Barok
C
Sommige
D
houden

Slide 10 - Quiz

Welk woord is een onbepaald voornaamwoord?
Iedereen kan tellen tot tien
A
Iedereen
B
tellen
C
tot
D
tien

Slide 11 - Quiz

Welke zin bevat een onbepaald vnw?
A
Kun je de afwas doen?
B
Regels moet je nou eenmaal opvolgen

Slide 12 - Quiz

Welke zin bevat een onbepaald vnw?
A
Het regent heel hard
B
Het huis staat stevig

Slide 13 - Quiz

Herhalen woordsoorten jaar 2:
Persoonlijk voornaamwoord
Persoon, dier of ding => ik, jij, hij, jij, het, wij etc
Bezittelijk voornaamwoord
Duidt bezit aan => mijn kind, jullie huis, ons feest (altijd voor zn)
Koppelwerkwoord
Zijn-worden-blijven-blijken-schijnen-lijken-etc => ng

Slide 14 - Slide

Herhalen woordsoorten jaar 2:
Telwoord:
Hoofdtelwoord (zes - veel)
Rangtelwoord (eerste - laatste)


Slide 15 - Slide

Herhalen woordsoorten jaar 2:
Voegwoorden:
* Nevenschikkende vw: dus, en, maar, of en want
* Onderschikkende voegwoorden: als, dan, dat, doordat, hoewel, omdat, toen etc

Slide 16 - Slide

Jouw
A
Persoonlijk voornaamwoord
B
Bezittelijk voornaamwoord
C
Aanwijzend voornaamwoord

Slide 17 - Quiz

Hij bracht ons naar dat feest.

HIJ?
A
aanwijzend voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
persoonlijk voornaamwoord
D
vragend voornaamwoord

Slide 18 - Quiz


A
hww
B
kww
C
zww
D
bw

Slide 19 - Quiz


A
hww
B
kww
C
zww
D
bn

Slide 20 - Quiz

Het 6e lesuur zijn wij vrij.
wat is 6e?
A
telwoord
B
rangtelwoord
C
onbepaald telwoord
D
bepaald telwoord

Slide 21 - Quiz

Welk telwoord is:

Veel
A
hoofdtelwoord
B
rangtelwoord

Slide 22 - Quiz

omdat is een
A
nevenschikkend voegwoord
B
onderschikkend voegwoord

Slide 23 - Quiz

Wat is het voegwoord in deze zin en hoe noem je dit voegwoord?

Ik blijf thuis vandaag, want ik ben ziek.
A
Want, nevenschikkend voegwoord
B
Want, onderschikkend voegwoord
C
Vandaag, nev. voegwoord
D
Vandaag, ond. voegwoord

Slide 24 - Quiz

huiswerk: 
* Maak H2 woordsoorten (onbepaald vnw) opdracht 1 tm 4
* Kijk De Brug na van gram woordsoorten (voor vak gemaakt)
=> Antwoorden staan in de bijlagen van huiswerk
* Lees verder in leesboek 3

Slide 25 - Slide