B4 H3 Taalverzorging Formuleren: verwijswoorden

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Slide

DOEL

VERWIJSWOORDEN


Je weet welk verwijswoord je moet gebruiken.




Slide 2 - Slide

Zelfstandig
10 min. schrijfopdracht (dossier) 
Klaar? lees de leertekst door op blz.14-15 en maak een samenvatting of maak de stencils
timer
10:00

Slide 3 - Slide






Slide 4 - Slide

Vul op de puntjes het juiste verwijswoord in: die of dat.

Het geluid ... uit die boxen komt, is erg hard.
A
die
B
dat

Slide 5 - Quiz

Vul op de puntjes het juiste verwijswoord in: die of dat.

Jon is al twee dagen ziek. ... vindt hij vervelend.
A
die
B
dat

Slide 6 - Quiz

Vul op de puntjes het juiste verwijswoord in: die of dat.

Wil jij het raam ... openstaat even dicht doen?
A
die
B
dat

Slide 7 - Quiz

Het verwijswoord hun wordt vaak verkeerd gebruikt. Je gebruikt hun alleen in geval van bezig. Bijvoorbeeld: hun fiets. Noteer het juiste verwijswoord.

Ik heb mijn nagels gelakt, maar ze/hun zijn niet droog.
A
ze
B
hun

Slide 8 - Quiz

Het verwijswoord hun wordt vaak verkeerd gebruikt. Je gebruikt hun alleen in geval van bezig. Bijvoorbeeld: hun fiets. Noteer het juiste verwijswoord.

In de winter gaan de kippen vroeger naar ze / hun nachthok.
A
ze
B
hun

Slide 9 - Quiz

Het verwijswoord hun wordt vaak verkeerd gebruikt. Je gebruikt hun alleen in geval van bezig. Bijvoorbeeld: hun fiets. Noteer het juiste verwijswoord.

De docent vraagt aan de leerlingen ze / hun boek te pakken.
A
ze
B
hun

Slide 10 - Quiz

Het verwijswoord hun wordt vaak verkeerd gebruikt. Je gebruikt hun alleen in geval van bezig. Bijvoorbeeld: hun fiets. Noteer het juiste verwijswoord.

Ze / hun kunnen zo echt niet verstaan wat je zegt!
A
ze
B
hun

Slide 11 - Quiz

Het verwijswoord hun wordt vaak verkeerd gebruikt. Je gebruikt hun alleen in geval van bezig. Bijvoorbeeld: hun fiets. Noteer het juiste verwijswoord.

Marit moet haar handen wassen, want ze / hun zijn smerig.
A
ze
B
hun

Slide 12 - Quiz

GELEERD?

Met een verwijswoord kun je verwijzen naar woorden die je eerder hebt gebruikt in een tekst. 



Slide 13 - Slide

Wat wist je al?

Slide 14 - Open question

Is er iets wat je nog niet zo goed snapt?
Zo ja, schrijf dit op.

Slide 15 - Open question

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 16 - Slide

Klaar?


Maak de test H3 op bladzijde 117 en 118 in je schrift!

Huiswerk voor de volgende les: test H3 af!



Slide 17 - Slide