Module geomorfologie.pptx


Module geomorfologie

S. Cleirbout

1 / 80
next
Slide 1: Slide
New lesson editorAardrijkskundeSecundair onderwijs

This lesson contains 80 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson


Module geomorfologie

S. Cleirbout

Wat is gemorfologie?

Doelstellingen

  • BV3_09.05: De leerlingen lichten de werking en de gevolgen van geomorfologische processen toe.

  • Verwering

  • Erosie

  • Sedimentatie onder invloed van temperatuur, water, wind, neerslag, ijs

  • BV3_09.11: De leerlingen situeren absoluut en relatief personen, plaatsen,
    patronen en processen op relevante ruimtelijke schaalniveaus.








Formuleer een definitie voor geomorfologie.

Wat is geomorfologie?

  • De wetenschap die de vorm (en het ontstaan) van het reliëf onderzoekt.


  • Onderzoek van: - erosie
    - sedimentatie

- tektoniek
- glaciatie
- …

Oorzaken van geomorfologie

  • Endogene processen:




  • Exogene processen:

Geef enkele voorbeelden van endogene en exogene processen.


Oorzaken van geomorfologie

  • Endogene processen:

Krachten die vanuit de aarde komen en zo verandering veroorzaken.

BV.: platentektoniek


  • Exogene processen:

  • Deze krachten komen van buitenaf en veroorzaken een verandering.

  • BV.: waterkracht, windkracht, gletsjerwerking, …

Mogen menselijke invloeden ook tot geomorfologie gerekend worden?

A

Ja, altijd!

B

Neen, nooit!

C

Ja, maar alleen als de invloed meteen zichtbaar is.

Rivierwerking

  1. Verwering:

Verbrokkelen van vaste gesteenten tot losse gesteenten (of korrels).


2. Transport


Verwering + transport = erosie.




Wat is het verschil tussen verwering en erosie?

WaterKRACHT?

  • Water heeft een kracht nodig!

  • Basiskracht water = zwaartekracht.



  • Waarvan is de grootte van de kracht
    afhankelijk?

  • De hoeveelheid water.


De hoeveelheid water

  • Afhankelijk van 2 factoren:


  1. Het debiet

  2. Het verval

Het debiet


Het verval




Oefening

  •  






Voorbeeldoefening

De Schelde ontspringt in Saint-Quentin (Frankrijk) op een hoogte van 97 meter boven zeeniveau. De rivier mondt uit in de Westerschelde (Nederland), waar de hoogte 0 meter is. De totale lengte van de Schelde is 350 km. Bereken het verhang van de Schelde.

Extra oefeningen!


Functies van water (binnen geomorfologie)

  • Verwerende functie: losmaken van korrels

  • Transporterende functie

  • Opbouwende functie: sedimentatie door korrels

In welke situatie heb je meer erosie?

A

Situatie 1

B

Situatie 2


  1. Wanneer de stroomsnelheid hoger ligt zal je uiteraard:
    - meer / minder afbrekende functie hebben.
    - meer / minder opbouwende functie hebben.

  • Wanneer de stroomsnelheid lager is zal je:
    - meer / minder afbrekende functie hebben.
    - meer / minder opbouwende functie hebben.



  1. Wanneer de stroomsnelheid hoger ligt zal je uiteraard:
    - meer / minder afbrekende functie hebben.
    - meer / minder opbouwende functie hebben.

  • Wanneer de stroomsnelheid lager is zal je:
    - meer / minder afbrekende functie hebben.
    - meer / minder opbouwende functie hebben.


IV.2.3 Hjulström-diagram

  • Water heeft een drievoudige werking, afhankelijk van:

    • De massa van het water (diepte van de stroom)

    • De stroomsnelheid

    • De bedding van de stroom

  • Het Hjulström-diagram zet de 2 laatste factoren tegen elkaar uit

Hjulström-diagram

Welk materiaal wordt eerst opgenomen (gaat dus last hebben van erosie)?

A

Klei

B

Silt

C

Zand

D

Grind

Welk materiaal wordt nadien opgenomen?

A

Klei

B

Grind

C

Answer C

D

Answer D

Waarom zou er voor klei een grotere stroomsnelheid nodig zijn?

Welk materiaal wordt als eerste afgezet (sedimentatie)

A

Klei

B

Silt

C

Zand

D

Grind

Wanneer zal klein afgezet worden?

Stroomsnelheid = 1m/s

Korrelgrootte = 0,1mm

Wat is het effect van het water?

A

Erosie

B

Transport

C

Sedimentatie

D

Answer D

Vanaf welke stroomsnelheid (ongeveer) bezinkt een korrel met diameter 4mm?

De derde factor is massa van het water. Wat is het effect hiervan?

  • Welk materiaal wordt eerst opgenomen bij snelheidstoename?

Grof silt, fijn zand

  • En vervolgens?

Fijn grind

  • Waarom is er voor opname van klei veel grotere snelheid vereist?

De platte korrels hebben een grote cohesiekracht

  • Welk materiaal wordt eerst afgezet?

Grind

  • En vervolgens?

Zand

  • Wanneer wordt klei afgezet?

In stilstaand water

  • Stel een stroomsnelheid van 1 m/sec en een korrelgrootte van 0.1mm diameter. Wat is het effect van het water?

Erosie

  • Vanaf welke stroomsnelheid bezinkt gesteentemateriaal met een diameter van 4 mm?

1 m/sec

  • Dit schema geeft slechts 2 factoren weer, de derde is de massa van het water. Wat zou het effect zijn van de massa?

Meer massa = meer kracht (F=m.a) . Dus meer verwering


Gevolgen van rivierwerking



Inleiding





Meanderen



  • Bocht in een rivier

  • Horizontale (laterale) erosie


Waar stroomt de rivier het snelst?

A

Holle oever

B

Bolle oever

In de holle oever vinden we vooral

A

Sedimentatie

B

Transport

C

Erosie



Sedimentatie

Erosie


  • Holle oever = snelst stromende deel van de rivier, hier vindt vooral erosie plaats.


  • Bolle oever = traagst stromende deel van de rivier, hier vind vooral sedimentatie plaats.






  • Holle oever = snelst stromende deel van de rivier, hier vindt vooral erosie plaats.


  • Bolle oever = traagst stromende deel van de rivier, hier vind vooral sedimentatie plaats.

Hoefijzermeer


Leg in je eigen woorden uit hoe een hoefijzermeer ontstaat.

Evolutie van een stroom/rivier

Van vlakte naar een dal naar een vlakte.

Lengteprofiel rivier

Jeugdstadium: kloofdal --> V-dal


  • Welke functie van water overheerst?


  • Geen afzetting, want?


  • Waar en in welk reliëf komt deze valleivorm voor?


Jeugdstadium: kloofdal  V-dal


  • Welke functie van water overheerst?

(Verticale) erosie

  • Geen afzetting, want?

Snelstromend water

  • Waar en in welk reliëf komt deze valleivorm voor?

Bovenloop (gebergten)

Kloofdal (jong dal)

  • V-dal

  • Verticale erosie

  • Snel stromende rivier

  • Geen afzetting

Vlakbodemdal


Snelheid rivier?

Functie? (Erosie, transport, sedimentatie).



Vlakdal

  • Vooral sedimentatie

  • Lage stroomsnelheid

  • Samenwerking
    tussen verticale en
    horizontale erosie
    is compleet

Waar stroomt de rivier het snelst?

A

Kloofdal

B

Vlakbodemdal

C

Vlakdal

D

Overal even snel

Wat past er bij een kloofdal?

A

Steile wanden

B

Vlakke bodem

C

Diepe insnijding door water

D

Ongelijke sedimentafzetting

Wat is een vlakdal?

A

Uitgestrekt en vlak gebied

B

Hooggelegen gebied

C

Steile hellingen

D

Weinig erosie

Wat is een kenmerk van een jonge rivier?

A

Rustige stroom

B

Snelstromend water

C

Vlakke bedding

D

Steile oevers

Hoe ontstaat een V-dal?

A

Door het smelten van gletsjers

B

Door menselijke activiteiten in steden

C

Door erosie van een snelstromende rivier

D

Door sedimentatie in stilstaand water

Antecendentie

  • Terrassen

  • Snelheid erosie = snelheid
    afzettingen

Regressieve erosie

  • Afbrokkeling waardoor rivier ‘achteruit gaat’.

Leg uit wat we bedoelen met regressieve erosie.

Welke term past best bij volgende afbeelding?

A

Vlakdal

B

Vlakbodemdal

C

Transgressie

D

Regressieve erosie

Samenvatting P.16

Noteer alle stappen bij de tekening.
Wat gebeurt er in elke stap.
Denk hierbij aan de vorm, stroomsnelheid, effect
van het water, ...

Samenvatting P.16

  1. Jong dal (kloofdal). De rivier begint doorheen de zachtere gesteenten te meanderen. De rivier stroomt snel

  2. De rivier wordt een beetje ouder. De zachtste gesteenten zijn reeds verplaatst door de erosie. Er ontstaat een V-dal.

  3. Er vind nog steeds erosie plaats, de meanders worden groter. (Horizontale erosie). Hierdoor ontstaat een vlakbodemdal.

  4. Het proces uit C blijft zich verderzetten. De holle en bolle oevers worden duidelijker zichtbaar.

  5. De rivier blijft ‘schuren’ tegen de nog hardere gesteenten waardoor ook deze beginnen te eroderen. De vlakte wordt steeds groter.

  6. Er is een vlakdal ontstaan na (soms) miljoenen jaren aan waterwerking. Zowel harde als zachte gesteenten zijn geërodeerd. De rivier stroomt nu veel trager, er gaat vooral aan sedimentatie gedaan worden.


  • De 3 dalvormen zijn deel van een evolutiecyclus

Maak een schets van deze evolutie:










1: Verticale erosie

2: Horizontale erosie

3: Sedimentatie



1

2

2

3

Verticale + horizontale erosie


Fysische verwering

  • Verbrokkeling zonder aanpassing chemische samenstelling

  • Insolatie

  • Vorstwerking


Insolatie

  1. Verwarming gesteente door zon  uitzetting

  2. ‘s Nachts afkoeling  inkrimpen

  3. Ontstaan barsten

  4. Uiteenvallen gesteenten




Vorstwerking


Biologische verwering

Fysisch of chemisch

Fysisch: Dikte wortels




Chemisch: afscheiding zuur door
wortels

Sedimentatie door ijs